50 jaar fysiotherapeut

Inleiding
Twaalf jaar geleden heb ik ter gelegenheid van mijn 50 jaar fysiotherapeut zijn, een overzicht gemaakt van het wel en wee van ons mooie beroep. Het verdween in een la van mijn bureau. Een aantal collega’s en oud-patiënten spoorden mij aan om het toch maar weer eens tevoorschijn te halen. Heden ten dagen is een en ander natuurlijk veranderd maar de intentie is voor mij gebleven. En wellicht leuk om het toch een keer te lezen.

1 juni 2011 was het dan zover. Op die datum was ik vijftig jaar fysiotherapeut. Hoe is het allemaal begonnen? Is ons beroep veranderd? Is het nog leuk?

Ik werd als ‘schrikkelkind’ geboren. 29 februari 1936, een mooi wijnjaar. Voor mijn ouders en familie was de gebeurtenis een mooi geschenk. Even een lichtpunt in een wereld die vooral in Duitsland zeer onrustig was. Voor velen zelfs beangstigend.

Ik groeide op in een fijne omgeving. Eigen kamer, veel speelgoed en een vader en moeder die mij erg verwenden. Ik zou helaas geen broertje of zusje krijgen. Nee, ik zou alleen blijven. Maar dan ook echt helemaal alleen. In 1942 werden mijn ouders via Westerbork naar Auschwitz getransporteerd en daar met duizenden anderen vergast, vermoord.
Ik heb de oorlog overleefd door op negen verschillende adressen te kunnen onderduiken. Ik kwam na de oorlog terug in Amsterdam als een astmatisch, klein, bang jongetje. Vier jaar achter op mijn leeftijdgenootjes. Maar het kwam uiteindelijk allemaal goed*.

Ik bezocht de Dongeschool in Amsterdam. Een leuke lagere school waar ik niet alleen leerde rekenen en lezen, maar ook leerde spelen. Iets wat ik gedurende de oorlog nooit heb mogen en kunnen doen. Daarna volgde het Amsterdams Lyceum, om op de Tweede Openbare Handelsschool ( de OHS) te eindigen. Dat bleek een foute keuze. Niet dat de school niet goed of leuk was, integendeel. Ik wilde namelijk dokter worden. Maar er zat geen Grieks en Latijn in mijn pakket. Dan maar ‘de handel’ in. Ik kreeg een opleiding op de bekende houthandel Ambagtsheer en van der Meulen als assistent bedrijfsleider. Tussen tachtig rasechte Amsterdammers in de houthaven werd ik goed geschoold. Op alle gebied.

Een andere Opleiding
Op een dag zag mijn (pleeg-)moeder een advertentie in de krant: Opleiding tot Heilgymnast-Masseur. Het was een driejarige avondcursus aan de Vakschool voor Heilgymnastiek en Massage in de Kerkstraat in Amsterdam. Dit leek mij wel wat. Wel eens waar geen dokter, maar wel zoiets. Werken met mensen, die iets mankeren. Mijn vooropleiding was ruim  voldoende om me in te mogen schrijven. Er was ook geen ‘raamwerk’ waar ik in moest passen. Ik was zeer gemotiveerd en dat was voldoende. Zo begon ik in 1957 aan een studie waar ik nooit spijt van heb gehad. In tegendeel. Het was gelukkig een avondopleiding, dus kon ik gewoon blijven werken in de houthandel.  De lessen werden gegeven in de praktijk van Jan Rodenburg in de Kerkstraat in Amsterdam. Op de eerste etage. De heer Rodenburg gaf zelf de massagelessen, zowel de theorie als de praktijk. Soms nam zijn moeder het een paar keer over. De andere lessen werden hoofdzakelijk gegeven door dokter Eckhardt. Een geweldige man, met een fantastische kennis die hij ook op de studenten kon overbrengen. Soms nam dokter van Hasselt ( de bekende en beroemde huisarts) de lessen van hem over.

De avond begon om zes uur en eindigde om half elf. Velen van ons werkten overdag en moesten zich dan haasten om op tijd binnen te zijn. Het was niet gemakkelijk. In het eerste jaar moest je veel leerstof uit je hoofd leren zoals: anatomie, fysiologie en hygiëne. Alle spieren, botten en gewrichten. En de werking hiervan. Het vak hygiëne was absurd uitgebreid. Zo moest je bijvoorbeeld weten dat een pakje roomboter niet naast een pakje margarine in de schappen mocht liggen. Maar het hoorde bij de opleiding Natuurlijk werd er ook veel aandacht besteed aan de EHBO. Het tweede jaar werd grotendeels ingenomen door colleges in de pathologie, de ziekteleer en de orthopedie, aandoeningen van het bewegingsapparaat, zoals de botten en spieren. Het werd voor mij pas echt leuk toen we aan de massagelessen begonnen. Voelen waar de pijn zat, de pijn wegmasseren. Geweldig. In het derde jaar moest je stage gaan lopen. Ik had het geluk dat ik werd ingedeeld in het toenmalige Wilhelmina Gasthuis bij de beroemde dokter en tennisser Hans van Swol.
Hier leerde ik pas het echte vak. Van Swol was streng en zeer professioneel. Te laat komen was er niet bij. Iets twee keer zeggen was uitgesloten. Luisteren niet zeuren! De vrouwelijke patiënten vonden het soms vreemd en ongemakkelijk dat er een jonge masseur de cabine binnenkwam. Als ik dan vroeg of ze hun trui of blouse wilde uittrekken, weigerde de patiënte soms. Ik wist dan niet wat ik moest doen. Dan kwam van Swol binnen en was het gauw gebeurd. Of de kleding uit of naar huis. Na enige tijd was zowel de patiënt als ik er aan gewend. Voor de theoretische vakken kreeg ik de steun van Henk van Leeuwen. Hij was afgestudeerd fysiotherapeut en werkte in het ziekenhuis. Veel kennis heb ik aan hem te danken. Daarna moest ik stage lopen in het revalidatiecentrum ‘ De Hoogstaat ‘ in Leersum. Een fantastische tijd heb ik daar gehad. Mijn leermeester hier was Theun Andeweg. Een meester in zijn vak. Ik voelde me daar een volwaardige masseur en oefentherapeut. Ik werd ‘de Beul’ genoemd, vanwege mijn gedurfde harde aanpak en behandelingen. Maar de resultaten waren zo goed dat men mij vroeg of ik na mijn stagetijd niet wilde blijven. Ik behandelde hier zeer ernstig gehandicapte patiënten. De oorzaak was meestal een motor-auto ongeluk of een val.

Een patiënt is mij altijd bij gebleven. De man was chirurg. Hij staat te opereren, maakt een misstap en glijdt uit. Hij komt op zijn hoofd terecht en raakt in coma. Hij moet geopereerd worden. Wat er uiteindelijk overblijft, is een kasplantje. Vreselijk. Een kind van ongeveer zes jaar. Onder het behandelen zing ik kinderliedjes met hem. “In den Haag daar woont een graaf” kan ik nog feilloos zingen. In het begin was ik overstuur van zulke patiënten. Maar je leert er mee omgaan. En went er aan. Ik had graag op de ‘Hoogstraat’ willen blijven, maar er kwam iets tussen! Mijn massageleraar Jan Rodenburg, was de verzorger van AJAX*. Hij vond mijn massage zo goed, dat hij mij vroeg of ik niet mee wilde naar Ajax, dan kon ik hem assisteren. Ik was verkocht. Eerst drie keer per week en later iedere dag. Mijn salaris was 250 gulden per kwartaal. De spelers waren tevreden over mijn werk en toen Rodenburg er na een jaar mee ophield mocht ik blijven. Dat heb ik veertien jaar volgehouden. Uiteraard ging mijn salaris omhoog. In de Gouden Tijd verdiende ik 14 duizend gulden netto per jaar. Geen vetpot maar ik vond het werk fantastisch.

Inmiddels was ik geslaagd voor mijn voorexamen, mijn propedeuse. Na het derde jaar kwam het eindexamen. Dat was in Den Haag. Een Staatsexamen. We deden examen met veertien studenten tegelijk. Eerst de praktijk. We kregen een gymnastiekles van een ‘waanzinnige’. Hij wilde zeker laten zien hoe goed hij wel was. Na veertig minuten lagen we allemaal voor dood op de grond. Ik had een zes gescoord, terwijl ik dacht een goudenmedaille te hebben verdiend. Daarna orthopedie, pathologie, massage en theorie oefentherapie. Ik was wel tevreden. De examencommissie niet. Ik zakte! Mijn wereld stortte in. Ik was gebroken. Echt waar. Ik viel in het bekende ‘zwarte gat’. Ik wilde niets meer. Ik schold op de hele wereld en speciaal op die oude, stoffige mensen van de examencommissie. Ik werkte nog wel bij Ajax en daar begon eigenlijk mijn zo succesvolle leven.


Het Begin
Het jaar hierop, 1961 slaagde ik met een tien voor massage. Gerechtigheid vond ik zelf. Na veertien jaar bij Ajax te hebben gewerkt en ik daar door mijn werk een bekende Nederlander was geworden, werd ik gedwongen om een eigen praktijk te beginnen.* Er brak een tijd aan van keihard werken.
Ik meldde me eerst aan bij het Amsterdamse ziekenfonds AZA, Algemeen Ziekenfonds Amsterdam, en het ziekenfonds Amstelveen. Het begon eerst thuis in de Biesbosstraat in mijn slaapkamer. Dat werd voor even gedoogd. In het midden van mijn niet al te grote kamer stond de massagebank. Meer was er eigenlijk niet. Wel een wastafel, waar dan nog mijn scheerapparaat en tandenborstel stonden. Een opklapbed waar de kleren van de patiënt op gelegd konden worden. Oefeningen konden alleen op de massagebank worden gegeven.

Het Ziekenfonds
Toen ging ik trouwen met Conny van der Sluis, op een zondag dat Ajax niet hoefde te spelen.
We gingen in de van Breestraat wonen. Daar had ik ruimte. Ik richtte de grote voorkamer op de eerste verdieping in als behandelkamer. Alles volgens de richtlijnen van het ziekenfonds.
1. Een goed te bereiken en goed te ventileren ruimte.
2. Een niet gladde vloerbedekking, die geen stof aantrekt. Dus geen kleden of vaste vloerbedekking.
3. Er moet een wandrek aanwezig zijn. Een spiegel voor oefentherapie. Dat de patiënt zichzelf kan zien.
4. Een stoel en een goede gelegenheid om de kleren op te hangen.
5. Een massagebank die op de goede hoogte staat, met een opstapbankje. Ook moet er een rol aanwezig zijn om onder de knieën van de patient te kunnen leggen.
6. Niet ruikende massageolie.
7. Een wastafel om de handen te kunnen wassen met een stuk zeep. Een toilet
8. Goede verlichting.
9. Voldoende handdoeken, om de lichaamsdelen die niet gemasseerd hoefden te worden te kunnen afdekken.
10. Een schoenlepel.
11. Om te kunnen oefenen moeten er knotsen en tenminste een medicijnbal aanwezig zijn.

De controlearts van het ziekenfonds kwam persoonlijk inspecteren of alles in orde was. Zenuwachtig wachtte ik zijn oordeel af. Maar er kwam geen uitslag. Er zou een brief volgen. Twee weken later ontving ik die. Dokter van der Bijl wenste mij succes. Alles was in orde bevonden. Zo ging dat in de jaren zestig. Goede controle op het werk en op de uitvoering er  van. Regelmatig werden er patiënten door het ziekenfonds opgeroepen. Ze werden dan ondervraagd door een collega, die bij het fonds in dienst was. Of men tevreden was over de heilgymnast-masseur. Of hij of zij goed werk afleverde. Krankzinnige vragen. Hoe kon en kan een patiënt beoordelen of hij goed gemasseerd of geoefend wordt. Maar het ziekenfonds hechtte veel waarde aan het lekenoordeel van de patiënt Gelukkig was men tevreden over mij! Ik voldeed dus aan de eisen van AZA, AOZ en ZZ, die later overgingen in ZAO. Ziekenfonds Amsterdam en Omstreken.. Zo begon ik dan aan een carrière die vijftig jaar heeft geduurd. Natuurlijk ging het niet zo gemakkelijk als het nu lijkt.
De patiënten werden toen alleen op doktersadvies behandeld. Zonder verwijsbrief mocht je niet behandelen. Aan het einde van de behandelperiode moest je de verwijzer een uitvoerig rapport met je bevindingen sturen. Voor het afrekenen met het ziekenfonds moest je goed en duidelijk ingevulde lijsten met de namen, geboortedatum, aandoening en de gegeven therapie opsturen. Ook dit werd regelmatig door het fonds gecontroleerd Veel patiënten vonden dit zeer vervelend. Een soort van kruisverhoor. De collega’s die in dienst waren van het ziekenfonds waren nou niet direct de meest populaire collega’s. Ze hadden te veel macht, zeggenschap bedoel ik hiermee. Vanachter het bureau werd er vaak beslist of een patient wel of niet mocht doorgaan met de behandelingen. Dat gaf vaak spanningen met de patiënt.

Het Genootschap
Het was voor mij een fijne tijd, waarin hard werken nog beloond werd. Je had toen ook nog niets te maken van de absurde inmenging van de beroepsorganisatie. Het Nederlands Genootschap voor Heilgymnastiek en Massage was toen nog een organisatie die streed voor haar leden. Ze wierp zich niet op als een bemoeizuchtige organisatie, maar ze hielp de leden waar dat nodig was. Ik werd dan ook een trots lid. Wel waren er minimum vergoedingen. Voor een behandeling in de praktijk ontving men vijf gulden. Als je een patiënt aan huis moest behandelen dan mocht je zeven gulden en vijftig cent declareren. Geen vetpot. Maar het was een vrij en nieuw beroep. Ik vond het prachtig en kon zeer goed met de patiënten omgaan. De meeste tijd bracht ik echter door in het Ajaxstadion.* Voor iedere afgestudeerde student was er direct werk. De ziekenhuizen, revalidatiecentra hadden altijd plaats voor een heilgymnast- masseur. Maar het beroep was niet echt ‘hot’. Er waren nog te weinig artsen, die het beroep echt serieus namen. “Het zijn meestal mensen, die voor doktertje spelen”, werd er vaak gezegd. Ook verliep de samenwerking zeer stroef. De doktoren waren (en zijn) vaak moeilijk te bereiken. Iets wat een overleg niet ten goede kwam. Ik heb het nooit een goede zaak gevonden, dat pas afgestudeerde fysiotherapeuten direct een eigen praktijk konden starten. Ik was meer voor de praktijk zo die bij de huisartsen is geregeld. Eerst een jaar meelopen in een bestaande praktijk, waar men dan de praktijk veel beter onder de knie kon krijgen. Een soort fysiotherapeutassistent.

Mogelijkheden
Tegenwoordig kan men als afgestudeerd fysiotherapeut gaan werken in een ziekenhuis, particuliere praktijk, revalidatiecentrum, verpleegtehuis, psychiatrische inrichting, gezondheidscentrum, bij een sportvereniging, bij een bedrijf, in het onderwijs, en op een sportschool. Hiervoor moet men wel een aanvullende cursus volgen. In de reguliere opleiding tot fysiotherapeut leert men weinig tot niets over een sportschool. Daar heeft men lesprogramma’s die meestal in het Engels zijn opgesteld. Waarom dat is weet ik niet. Maar termen als Pilates (intermediair) Body Shape en Step and Shape zijn heel gewoon. De oefenstof komt bijna allemaal uit Amerika. Ook is de opleiding anders dan in mijn tijd.

Opleidingen
Klik je op internet een van de vele opleidingen aan dan zie je dat de opleiding valt onder de kop van HBO opleiding Fysiotherapie. Men moet dan minimaal een Mbo-diploma bezitten op niveau 4. Een HAVO, VWO diploma geeft toegang tot elk profiel. Wat dat ook mag zijn.
Hoe kom je er verder achter of het een geschikte opleiding voor je is? Een van de opleidingen heeft op internet een staatje staan.
a. ben je lenig en behendig?
b. Wil je graag mensen helpen?
c. Ben je nieuwsgierig hoe je lichaam beweegt?
d. Ga je graag met verschillende mensen om?
e. Ben je bereid om als proefpersoon voor een medestudent te fungeren?
f. Spreekt het je aan om mensen te behandelen en te begeleiden?
g. Schuw je lichamelijk contact niet?

Dan is deze opleiding wel iets voor jou. Ik denk dat het onder f en g gevraagde vanzelfsprekend moet zijn. Juist hierom wil men fysiotherapeut worden.

Maar terug naar mijn tijd. Mijn praktijk bestond toen, naast de sportblessures, voornamelijk uit patiënten met longproblemen, zoals astma en longemfyseem, reumatische klachten en orthopedische aandoeningen. Ook kwamen er patiënten met neurologische aandoeningen in de praktijk. De huisartsen wisten in die tijd van onze behandelingen weinig of niets. Tegenwoordig is dat misschien iets beter geworden. Enkele jaren later kwam naast de opleiding voor heilgymnast, de opleiding fysiotechniek. De leer van het behandelen met warmte, water en elektriciteit. Het was voor mij een zware opleiding. Ik had weinig tijd door mijn werk bij Ajax. Je moest weer stage lopen en dat was voor mij haast onmogelijk. Toch vond ik een fijne plek. De Hoogovens in IJmuiden bij de heer Peper. Ik trof het. Hij had begrip voor mijn situatie en vond het goed dat ik alleen op de woensdag ochtend aanwezig zou zijn. Hij tekende keurig mijn stageboekje af, alsof ik hele dagen stage had gelopen gedurende drie maanden.
“Jij hebt zoveel aanleg, dat je het zonder je stage ook wel redt”, zei hij, toen ik echt niet meer kon komen. Ajax slokte mij helemaal op. Ik kon hem wel zoenen. Als je dan het diploma fysiotechniek had gehaald, moest je het inleveren bij het Ministerie van Volksgezondheid, samen met je diploma van heilgymnast-masseur. Dan ontving je het diploma van  Fysiotherapeut. Ik slaagde. Met moorkoppen in de ajaxkleedkamer werd mijn slagen gevierd. Nu was ik fysiotherapeut. Onder belangstelling van alle spelers en trainer Buckingham werd mijn bord aan de muur geslagen. Later werd het bord gestolen. Ik had toen veel meer mogelijkheden om te behandelen. Naast het masseren maakte ik gebruik van infraroodstralers, ultrakorte golf, stroomtherapie (faradische en galvanische stroom. Later kwam daar de interferentie voor in de plaats), sauna en watertherapie, zoals onderwatermassage.

Canada
Maar ik miste een opleiding voor sportfysiotherapie. Van Ajax mocht ik in de maand juli drie weken naar Canada. Bij de Toronto Maple Leaf’s, de ijshockey- en footballclub werd ik bijgespijkerd door hun fysiotherapeut Karl Ellieff. Ik heb toen kunnen zien hoe men daar een sportclub op professionele wijze runt. Ik heb daar in die paar weken veel geleerd. Een jaar later ben ik er nog een keer naar toe gegaan.

Sportfysiotherapeut
Zo mocht ik mij in Nederland ook nog sportfysiotherapeut noemen. Daar was ik wel trots op. Sportfysiotherapeut bestond in Nederland nog niet. Evenmin als sportarts. Dat waren huisartsen die het leuk vonden ook sportblessures te behandelen. Men noemt mij dan ook vaak de ‘Godfather van de Sportfysiotherapie”. Een titel waar ik best trots op ben.
Ik had nu veel meer inzicht in het ontstaan en het behandelen van de sportblessures. Ook kon ik de patiënten nu preventieve maatregelen laten nemen. Kwetsbare gewrichten, zoals enkels en bij sommige sporten de vingers (basketbal, volleybal en handbal) tapen. De enkels en knieën kon met ook wel zwachtelen. Dat deed ik bij Ajax altijd. Ik leerde de spelers ook zelf hoe ze een gewricht konden zwachtelen of tapen. Hierdoor namen de blessures af en voorkwam ik vaak een blessure. Maar ook bij mijn ‘gewone’ patiënten paste ik deze maatregelen toe.

Twee soorten patiënten?
Is er een verschil tussen een ‘gewone’ patient en een sporter? En dan speciaal een topsporter? Sportmensen worden over het algemeen veel agressiever behandeld dan ‘gewone’ patiënten. Om te beginnen vaak meerdere malen per dag. Ook is de behandeltijd langer. Vaak neemt een behandeling enkele uren in beslag. Tegenwoordig wordt het accent op de ‘revalidatie’ gelegd. In mijn tijd werd er heel veel gemasseerd. Er werd veel gebruik gemaakt van apparatuur. Ik werkte zeer veel met paraffine omslagen en dan diepe fricties. Pas als de pijn over was en de sporter dacht zelf dat hij weer kon gaan trainen dan begon ik met de ‘revalidatie’. Samen met Bob Haarms (de hersteltrainer van Ajax) werd een speler dan goed onder handen genomen. Meestal moest een de worden afgeremd. Hij wilde zo snel mogelijk weer aan de slag. Mijn motto was altijd ”Beter een week te laat dan een dag te vroeg”. En dat geldt zeker bij spierblessures. Tegenwoordig zijn veel sporters met spierblessures onnodig lang geblesseerd. Dat komt vaak omdat men steeds weer te vroeg begint. Een spierblessure moet geheel genezen zijn voordat de sporter weer kan beginnen. Dat kan soms wel vier tot zes weken zijn voordat de blessure over is. Niets meer voelen houdt niet in dat de spieraandoening ook echt is genezen. Veel spierblessures ontstaan door overmatig stretchen. Door te intensief stretchen ontstaan vaak heel kleine spierscheurtjes. Ze zijn zo klein dat de sporter ze nauwelijks voelt. Maar de spieren zijn wel kwetsbaarder geworden. Moet er dan een lange sprint worden getrokken dan is de kans veel groter om ( weer) geblesseerd te raken. Het meest bekend is de hamstringblessure. De spieren aan de achterkant van het dijbeen. Ik was dan ook nooit een voorstander van stretchen. Vooral niet bij sporters die erg blessuregevoelig waren. Amerikaanse studies geven mij daarin gelijk. Een goede warming – up is vele malen beter dan stretchen. Spelers/atleten die veel spierblessures krijgen moesten altijd in het ‘krachthonk’ extra trainen. Met zware medicinballen ging men dan aan de slag. Als een blessure, zonder aanwijsbare oorzaak, te lang duurde dan werd er overleg gepleegd met de dokter en vaak werd een en ander dan ondersteund met een injectie. Ik was daar nooit blij mee, maar als de speler er zelf op aandrong dan kon ik er ook niets meer tegen in brengen. Uiteindelijk is de sporter zelf verantwoordelijk voor zijn daden en kan de dokter en de fysiotherapeut alleen maar adviseren. In de jaren zestig jaren waren er natuurlijk maar weinig fysiotherapiepraktijken. In tegenstelling tot tegenwoordig. Was er vroeger op iedere straathoek een bank, tegenwoordig vind je er een praktijk voor fysiotherapie. Er is nu een te groot aanbod van hulpverleners. Dat lijkt mij geen goede zaak. Te vaak is de patiënt nu de baas. Hij of zij zegt wat er moet gebeuren.”Ik moet gemasseerd worden, ik wil oefenen. De dokter zegt…”. Het is wel goed dat patiënten tegenwoordig niet altijd meer verwezen hoeven te worden. En mondiger zijn. Maar de fysiotherapeut blijft de baas! Vroeger waren weinig tot geen specialisaties. De therapeut behandelde iedere patiënt. Ongeacht de aandoening. Soms had je wel een therapeut die alleen kinderen behandelde. Maar dat was het dan ook wel.

Specialismen
Veel later kwamen de specialisaties. Manueeltherapeuten, acupuncturisten, haptonomen, sportfysiotherapeuten. Sommige therapeuten waren gespecialiseerd in bijvoorbeeld alleen de schouder, het bekken, de longen of de knie. Weer anderen hielden zich alleen bezig met musici of balletdansers. Weer later kwamen de fysiotherapeuten die zich specialiseerden in de oedeemtherapie, psychosomatische therapie, en de therapie bij geriatrische patiënten. Wij behandelden ook zeer veel oorlogsslachtoffers. Deze patiënten vereisten een speciale aanpak Het ging vaak niet alleen om de lichamelijke klacht maar vaak meer nog om de psychische problemen. Bovendien was de behandeltijd van deze patiënten veel langer dan normaal. Toch mocht voor deze patiënten geen ander tarief berekend worden. In mijn tijd was je dus ‘gewoon’ fysiotherapeut. Wij behandelden alle aandoeningen. Al lag mijn interesse in die tijd meer bij de (sport-)blessures. Dat waren uiteraard niet alleen voetballers. Ook balletdansers, artiesten, atleten, basketballers, wielrenners, roeiers en anderen kwamen veelvuldig in de praktijk als ze geblesseerd waren geraakt door een val of stoot of overbelasting. Al deze mensen vereisten een speciale aanpak. Het was echt niet alleen éven’ de blessure behandelen. We keken naar het schoeisel, de kleding, het trainingsprogramma, de houding tijdens het sporten of spelen. Hierop stelden wij de therapie samen. In die tijd waren we koploper met onze aanpak en hierdoor was de praktijk overvol. Niet iedereen kon zo maar worden behandeld. Men moest bij ons verwezen worden door een arts.

Verwijspatroon
Maar het verwijspatroon hing nauw samen met de kennis van de arts. Zijn inzicht was in die tijd onvoldoende. Vaak zelfs afwezig. Regelmatig werd ik door artsen gebeld met de vraag of zijn patiënt behandeld kon worden. En wat ik dan deed. Een keer in de maand op de maandagavond kwamen er altijd een aantal specialisten en huisartsen bij mij kijken hoe ik werkte. Dan gaf ik een soort ‘bijscholingscursus’. Tegenwoordig spreekt men van een ‘workshop’ .Hierdoor kreeg ik een zeer goed contact met deze artsen. Ik noem de specialisten Stork, Hootsmans, de Voogd, Wawaruntu, Marti, v.d. Bijl, Noach, en van Swol, de huisartsen Levie, Weijel, de Goey, May, Dokter, en later nog Verhorst en van der Hart, Hoonhout en Sarlui. En vele vele anderen. Het waren geweldige avonden en voor iedereen zeer leerzaam. Tegenwoordig hebben de artsen het helaas zo druk, dat ze voor dergelijke zaken geen tijd meer hebben. Ik rapporteerde iedere maand het wel en wee van hun patiënten . Vaak bezocht ik deze artsen om bepaalde problemen te bespreken. Maar het was uiteraard ook gemakkelijk om de artsen aan de telefoon te krijgen. Ondanks hun drukke praktijk waren ze altijd bereid om mij te woord te staan.

Bereikbaarheid
Tegenwoordig is dit op een enkele uitzondering na, heel anders. Om een arts aan de telefoon te krijgen moet je meerdere malen bellen. Of ze zijn in gesprek of het antwoord apparaat staat aan. Van terugbellen door de arts is meestal geen sprake. De assistente doet het woord en gaat dan bij de dokter vragen of hij of zij even tijd heeft of zij stelt mijn vraag. Dat is vaak vervelend. Het komt regelmatig voor dat een therapeut de dokter direct nodig heeft en dat lukt dan niet. Contact met de specialist of huisarts is van groot belang. Niet alleen voor de fysiotherapeut, maar meer nog voor de patiënt. Mag patiënt wel gemasseerd worden, gebruikt hij/zij bloedverdunners, Bètablokker? Heeft hij/zij vreemde materialen in het lichaam? Bijvoorbeeld een kunst heup of knie. Ik herinner mij een patiënte die door ons behandeld moest worden met Ultra Korte Golf. De dokter had verzuimd op de brief naar ons te vermelden dat patiënte een pacemaker had. Ook de patiënte had het niet verteld omdat het voor haar zo gewoon was. Op zo een moment moet je de arts even kunnen bellen. En wat te denken van de patiënt die in de wachtkamer een hersenbloeding kreeg? De dokter was niet te bereiken, maar gelukkig konden wij patiënt geplaats krijgen in het toenmalige Wilhelmina Gast huis. Later kwam de dokter ons bedanken met bloemen! Het verwijzen werd zo een belangrijke zaak dat in 1989 de toenmalige Staatssecretaris van Volksgezondheid, Dick Dees akkoord ging met ‘het op beperkte schaal invoeren van een systeem van verwijzing door de huisarts naar de fysiotherapeut. “Op die manier zou er doelmatiger en goedkoper gewerkt kunnen worden. Huisartsen kunnen gericht doorverwijzen voor advies, waardoor de specialist weer minder overbodige behandelingen verricht. Verder kan de fysiotherapeut zijn deskundigheid beter kwijt aan de thuiszorg en huisarts. Realisering van dit plan koste van 1990 tot 1992 600.000 gulden. De regeling kreeg een experimenteel karakter”.  Tegenwoordig heeft men gelukkig geen verwijzing meer nodig. Dat heeft het voordeel dat een patiënt veel sneller behandeld kan worden en het scheelt een doktervisite. Alleen voor chronische aandoeningen (die voorkomen op de lijst Borst, de toenmalige Minister van Volksgezondheid) is er sinds 2008 nog wel een verwijzing en vaak ook een machtiging nodig.

Verwijzen
Zo eenvoudig als Dees schrijft was het natuurlijk niet. Door zijn weinige kennis van de fysiotherapie weet de arts niet dat een fysiotherapeut veel meer kan dan alleen ‘wrijven’. De fysiotherapeut werd veelal gezien als een kapstok waarop je maar alles kunt ophangen. Heeft een patiënt een pijntje en de dokter weet niet wat het is dan was zijn therapie: de fysiotherapeut. Zo ging het met veel aandoeningen. Maar ook werd er door dit beperkte inzicht, te weinig doorgestuurd. De huisarts stuurt zijn patiënt dan liever naar een medicusspecialist. Met als gevolg dat de patiënt veel te vaak onnodige en soms niet eens ongevaarlijke onderzoeken moet ondergaan. Bovendien is er een wachttijd eer de patiënt gezien kon worden. Dan komt hij of zij in een vaak onnodig traject terecht:

1. Vaak onnodige röntgenfoto’s
2. Schadelijke medicijnen, met bijwerkingen
3. Onnodige opname
4. Overbodige rustkuur
5. Werkonderbreking.

Door dit alles schieten de kosten omhoog. Fysiotherapie is vele malen goedkoper en die wordt de patiënt dus vaak onthouden Wordt men wel verwezen, dan is het behandeladvies van de dokter vaak onjuist of onvoldoende. Dit alles geeft onnodige problemen, soms zelfs conflicten, waarvan de patiënt dan de dupe kon worden.

Vrije Keuze?
Tegenwoordig gaat het dus gelukkig anders. De patiënt is vrij om naar een fysiotherapeut te gaan. Een van zijn of haar eigen keuze. Hoewel sommige artsen vaak hun ‘eigen’ fysiotherapeut hebben. Helaas is het momenteel teveel doorgeschoten. Er zijn zorgverzekeraars die willen dat de therapeut precies doet wat zij willen. Als hij dan een contract met de zorgverzekeraar ondertekent dan krijgt die therapeut iets meer betaald. Schandalige praktijken, waar veel weerstand tegen bestaat. Gelukkig maar. Men kijkt tegenwoordig niet zozeer naar de behandelingen, maar liever naar de kosten er van. Alles moet zo goedkoop mogelijk. Daar zijn dan weer managers voor nodig om dit alles uit te rekenen en te controleren. Een foute boel dus, zoals er zoveel fout is en gaat in de medische wereld. De bekende specialist professor Smalhout schreef er hele columns over.

Verwijspatroon
Hoe staat het met het verwijspatroon van de arts?
Artsen die verwijzen hebben natuurlijk ook een verwachtingspatroon ten aanzien van de fysiotherapie. Hieraan wordt meestal het verwijspatroon gekoppeld.

1. Patiënt heeft een aanwijsbare aandoening. De dokter weet precies wat de patiënt mankeert en stuurt hem/haar door. Dit is dan een bewuste verwijzing.
2. De dokter weet het niet precies en kan er zelf niets (meer) aan doen. Hij stuurt hem/haar door. Patiënt is nu even onder dak. Heb ik even rust. Komt de patient even niet in de praktijk.
3. Of de dokter denkt ‘er wordt weer wat gedaan. De patiënt is ( voorlopig) tevreden’.
4. Dokter weet het niet. De patient heeft vage klachten. Pijntje hier en daar.
Misschien kan de Fysiotherapeut uitkomst bieden. Wacht maar af wat het resultaat van de behandeling is. Wellicht pijn vermindering. Er wordt in ieder geval iets aan gedaan.
5. Patient wordt aan het werk gezet. Oefenen is het recept. Ook thuis.
6. Patient wordt (even) uit zijn/haar isolement gehaald.
7. Eigen verzoek patiënt.
8. Verwijzen voor een second-opinion. Als een patient erg lang bij een fysiotherapeut wordt behandeld, zonder zichtbaar resultaat is het wel eens goed als een ander naar de patient kijkt. Soms is het ook op verzoek van de patiënt zelf.

Dit zijn allemaal redenen voor de arts om te verwijzen en ook om er zelf even van af te zijn.

Hulpmiddelen

Wat zijn de hulpmiddelen van de fysiotherapeut?.

Het beste hulpmiddel van de fysiotherapeut is en blijven de handen. Ze worden gebruikt bij het masseren, het palperen bij een onderzoek en om te tapoteren, klopmassage bij vastzittend slijm (wordt tegenwoordig niet meer toegepast) en bij het passief oefenen. Dan helpt de fysiotherapeut met zijn handen mee om een bepaalde oefening te kunnen doen.
Zo heeft de therapeut ook diverse andere hulpmiddelen bij het masseren.

1. Olie
2. Zeep
3. Poeder
4. Crème. Dat kunnen ook crèmes zijn die werken tegen de pijn, de bloeduitstorting verminderen, of de spieren en gewrichten een beetje verwarmen.
5. Gel, Meestal gebruikt om te koelen. En als tussenstof bij een ultrageluid behandeling.

Naast het masseren en oefenen zijn er diverse andere hulpmiddelen. Applicaties genoemd.
Zo kennen we:

1. Ultrageluid (Ultra-Schall)
2. Diadynamische stroom, Interferentie stroom
3. Ultra Korte golf en de Curapuls
4. Laser
5. Paraffine
6. IJs
7. Water
8. Infrarood straler, heel vroeger was dat de Rode lamp

Al deze applicaties kunnen worden gebruikt bij het behandelen van vele aandoeningen. Vooral spier- en gewrichtsklachten. Vroeger werden deze hulpmiddelen veel vaker gebruikt dan nu. Dat vind ik jammer, want deze applicaties hebben ons altijd enorm geholpen bij het behandelen. Blessures waren sneller verholpen dan zonder deze hulpmiddelen. Maar vandaag de dag worden deze applicaties ( bijna) niet meer gebruikt. De nadruk wordt op revalideren gelegd. Mede heirdoor duurt het vaak veel langer voordat een blessure genezen is.

Bij het oefenen werd er veelvuldig gebruik gemaakt van oefenmateriaal, zoals:
1. Fiets
2. Hometrainer of roeiapparaat
3. Bal
4. Stok of knots
5. Gewichten
6. Wandrek en een bankje.
7. Touw

In de sport was het bankje bij Ajax in mijn tijd een symbool geworden. De beroemde hersteltrainer Bobby Haarms gebruikte altijd een bankje. Zo beulde hij zijn spelers af. En kon hij precies zien of iemand weer speelfit was of niet. Hij liet ze dan op en over het bankje springen op verschillende manieren. Met een voet of twee voeten. Dit waren zoal de mogelijkheden in de zestig en zeventiger jaren. Tegenwoordig wordt er ook veel geoefend volgens een bepaalde methode en is de sportschool erg in trek, waar dan vaak een fysiotherapeut aan verbonden is. De naam sportschool is alweer ouderwets. Men gebruikt er allerlei namen voor, maar vooral fitness. Zo kennen we de cardiofitness, speciale begeleiding bij longaandoeningen, rugscholing en vele andere aandoeningen en mogelijkheden. Ook houden sommige fysiotherapeuten zich bezig met het afvallen. Vaak heeft men zelfs een ‘personal trainer’, die dan een cliënt begeleidt. Maar voor het starten van een sportschool, of welke naam men er aan geeft, heeft men wel een opleiding nodig. Velen hebben dat helaas niet waardoor er vaak onnodig blessures kunnen ontstaan.

Praktijken
Vroeger had je ook een heel andere praktijk samenstelling.

1. De solopraktijk. Hier werkte slechts een therapeut
2. Meermanpraktijk. Meerdere fysiotherapeuten, die allemaal hun eigen patiënten hadden
3. Een praktijkeigenaar, met meerdere collega’s in dienst
4. Fysiotherapeuten die een maatschap vormen
5. Praktijk waar iedere therapeut voor eigen rekening werkt.

Meestal had de praktijk de naam van de eigenaar. Later kregen praktijken vaak de naam van de buurt of de straat waarin ze gevestigd waren.

Eisen
Na een aantal jaren werden de eisen die aan een praktijk werden gesteld uitgebreid.

1. Hij moest gemakkelijk bereikbaar zijn.
2. Gemakkelijk te betreden zijn. Geen hoge stoep. Dus ook rolstoel toegankelijk.
3. Hij moest schoon en fris zijn en voldoende licht en een veilige vloer hebben Een vloer waar de patiënten niet konden uitglijden, of die stof aantrok. Dit was speciaal van belang bij astmapatiënten en patiënten die allergisch waren.
4. Natuurlijk een wachtruimte
5. Een goede niet ruikende verwarming
6. Aparte behandelruimtes
7. Mogelijkheid voor privacy voor de patiënt, zodat andere patiënten hem/haar niet konden horen of zien
8. Goede, schone banken, met schone handdoeken of te verschonen papier. Vaak moesten de patiënten hun eigen handdoek meenemen,.
9. Een toilet en de mogelijkheid om de handen te wassen voor zowel de therapeut als de patiënt, met een schone handdoek.
10. Goede ventilatie
11. Voldoende apparatuur
12. Voldoende ruimte om te oefenen
13. Er moest een kleedruimte zijn, een kapstok of kledinghaak en een spiegel en een schoenlepel.

Ook moest de administratie op orde zijn. Al deze zaken werden toen met de regelmaat van de klok gecontroleerd. Dat was een goede zaak. Tegenwoordig is de controle in de praktijk minimaal. Bovendien gaat bijna alles per computer. Controle van een zorgverzekeraar die zomaar de praktijk binnen komt gebeurt niet meer. Wel gaat alles tegenwoordig volgens strikte protocollen. Voor elke aandoening is er wel een protocol.

Verwachtingspatroon van de patiënt
Niet alleen had de arts een verwachtingspatroon ook de patiënt had natuurlijk een bepaalde verwachting:

Hij of zij wilde:

1. Een luisterend oor voor de klachten
2. Voldoende tijd om te luisteren en te behandelen
3. Adequate opvang en hulp
4. Een mening die overeenkwam met die van de huisarts/specialist
5. Goede begeleiding
6. Goede behandeling
7. Wordt de huisarts wel goed geïnformeerd?
8. Het geven van adviezen.

Vooral punt 4 gaf nog wel eens problemen. De patiënt komt in de praktijk met een brief van de arts waarin staat dat hij/zij gemasseerd moet worden. Die term werd toen veel door de artsen gebruikt. “Laat u zich maar masseren”. Of “ ik stuur u naar de masseur”. De arts bedoelde vaak niet echt dat gemasseerd moest worden. Maar dat begreep de patiënt soms niet. Dan moest de therapeut rustig gaan uitleggen dat een ‘zweepslag’ niet gemasseerd mocht worden. Wel kon er worden geoefend, binnen de pijngrens, of watertherapie, een apparaat of misschien moest er wel getapet worden. (Deze methode kwam natuurlijk wat later in zwang in de fysiotherapiepraktijk). Het kwam ook voor dat er helemaal niet behandeld mocht worden en was rust de juiste therapie. Punt 8 gaf ook nog wel eens verwarring. De therapeut adviseert bij een Achillespeesblessure een zooltje/verhoging onder de hiel aan te brengen. De dokter vindt dit niet nodig of zelfs zinloos. De patient moet niet teveel verwend worden vindt de dokter. Dit was weer een bewijs dat de arts te weinig weet van de therapie. Gelukkig waren er ook veel artsen die het wel begrepen en veel aan de therapeut overlieten. Maar ze wilden wel goed worden geïnformeerd. Wat natuurlijk hun goed recht was.

Aanvraag machtiging
De therapeuten werkten dus met ziekenfondsen. Daar moest je dan een contract mee afsluiten. Had je met een ziekenfonds een overeenkomst dan mocht je meestal ook patiënten van andere ziekenfondsen behandelen. Voor het behandelen van ziekenfondsverzekerden moest er een machtiging van het ziekenfonds zijn. De behandelende arts moest een dergelijke machtiging aanvragen bij het ziekenfonds waarbij de patient was aangesloten. “Zonder machtiging geen behandeling”. Het ziekenfonds ziet er op toe dat hun verzekerde de optimale hulp ontvangt. Artsen en adviserende fysiotherapeuten, die in dienst zijn van het ziekenfonds controleren dit. De medische adviseur behoort over iedere patient na een behandelingstermijn van (meestal) 6 weken, twee behandelingen per week, geïnformeerd te worden, door de behandelende fysiotherapeut. Aan het einde van de behandelingen stuurt de fysiotherapeut eens per maand een declaratie naar het ziekenfonds. Deze declaratie moet vergezeld gaan met een voorgedrukte lijst waarop dan de naam, adres en geboortedatum, de aandoening, de behandeling, en de behandelduur van de patiënt staat.

Declaraties
Het ziekenfonds betaalt de declaratie rechtstreeks aan de fysiotherapeut.

Voor particuliere patiënten lag het wat anders. Ten eerste lag het tarief hoger en ten tweede stuurde je de declaratie naar de patient. De verzekeringsmaatschappij betaalde die nota dan rechtstreeks aan de patient uit. Hij/zij was immers hun contractant. Het gevolg hiervan was soms dat de patiënt de fysiotherapeut vergat te betalen of zei dat hij/zij het geld nooit had ontvangen. Tegenwoordig is het betalingsverkeer veel makkelijker. Er bestaat geen onderscheid meer tussen ziekenfonds en particuliere patiënten. Ook is er geen machtiging meer nodig ( met uitzondering van aandoeningen van de lijst Borst) en de therapeut stuurt de declaratie direct naar de verzekeringsmaatschappij en die betaalt dan na een  maand het bedrag uit. Tegenwoordig kent men ook een soort eenheidstarief dat ligt tussen de 27 en 28 euro. Voor patiënten die aan huis behandeld moeten worden ontvangt men 10 tot 11 euro meer. De tijdsduur is niet van belang. Twee behandelingen per dag mag ook niet meer. Als een patient bij de therapeut komt met klachten van de rug en de knie, dan mag dat niet in een sessie worden behandeld. Of de rug of de knie. Dat is natuurlijk vreemd om het maar zacht uit te drukken. Op maandag komt de patiënt dan voor de knie en op dinsdag moet hij/zij terugkomen voor de rug. Komt een patiënt voor oedeemtherapie ( na bijvoorbeeld een borstamputatie, waarbij lymfknopen verwijderd zijn) dan mag de therapeut drie kwartier behandelen voor anderhalf keer het standaardtarief . Dat geldt ook voor manuele therapie. De therapeut was naast het gewone werk ook nog de boekhouder van de verzekeringsmaatschappij. Nu is dat anders. Het betalingsverkeer loopt via Vecozo. Het zijn de beginletters voor Veilige Communicatie in de Zorg. Zij is het tussenstation tussen de medische- en paramedische hulpverleners en de zorgverzekeraars. Ook met betrekking tot het declareren. De contracten die met de ziektekostenverzekering moeten worden afgesloten worden digitaal gedaan. Ieder jaar komt er een nieuw contract, dat dan via de computer moet worden ondertekend. Hoe zou dat moeten als men geen computer heeft? Er zijn ruim 132.400 zorgverleners aangesloten bij Vecozo. Via hun website kunnen onder andere verzekeringsgegevens van een patiënt worden opgevraagd. Dat kan alleen als men een declaratiesoftwarepakket heeft, dat aan de Vektisstandaard voldoet. Vekis is het informatiecentrum in de zorg. Het verzamelt en analyseert gegevens over de kosten en de kwaliteit van de gezondheidszorg in Nederland. De diensten zijn kosteloos! Iedere therapeut kan zijn of haar eigen certificaat aanvragen. Vroeger moest men zelf een dagstaat bijhouden en die dan maandelijks naar het ziekenfonds opsturen. Vaak werden behandelingen door de adviserende arts of fysiotherapeut niet (meer) nodig gevonden. Dat gaf regelmatig wrijving. Van achter zijn bureau werd het advies dan gegeven, zonder dat de patient werd onderzocht of ondervraagd over zijn/haar klachten. Deze arts of therapeut is dan in dienst van het ziekenfonds. De particuliere verzekeringsmaatschappijen hadden ook een adviserende arts en fysiotherapeut in dienst. Hun advies was vaak wat professioneler en bovendien waren zij sneller te overtuigen van het nut van de behandelingen. In het advies van de adviserende mensen was zelden een patroon te vinden. Hun advies was onvoorspelbaar. Vooral bij de artsen. Advies was bindend. Geen overleg mogelijk. Natuurlijk was een van de taken van deze mensen de kosten voor de maatschappij te bewaken en daarom zo laag mogelijk te houden.

De adviserende collega
De adviserende fysiotherapeut stelde zich iets meer op als collega. Bij problemen werd er vaak telefonisch overleg gevoerd. Dan werd vaak een eerder genomen beslissing terug gedraaid. Lukte het niet om de arts of fysiotherapeut te overtuigen dat een behandeling echt nodig was, dan was vaak de patiënt boos. Niet alleen op de verzekeringsmaatschappij, maar ook op de behandelde fysiotherapeut. Het kwam zelfs voor dat een patient naar een andere fysiotherapeut wilde gaan. “Die krijgt het wel voor elkaar”. Soms werd een patiënt achter de rug van de behandelende fysiotherapeut om voor onderzoek ‘uitgenodigd’. Dan werd er gevraagd hoelang de therapeut bezig was, of de patiënt wel tevreden was, of de behandeling hielp en wat de verwachting was. En of het wel de therapie was, die de therapeut declareerde. Onzinnige vragen. Een patient kan moeilijk beoordelen of de therapeut goed werk aflevert. Of hij wel juist declareert. Een patiënt is wel of niet tevreden en het klikt wel of niet met de therapeut. Als de patiënt dan bij de therapeut kwam met het verhaal dat zij/hij bij de controlerende arts of fysiotherapeut was geweest dan was dat niet echt leuk. Ook werd de arts vaak door de patiënt onder druk gezet. “De verzekeringsmaatschappij vergoedt deze aandoening niet meer.” Dan werd het uiteindelijk een andere indicatie en kreeg de patient toch een machtiging. En iedereen was tevreden! Er is nu geen landelijk vast tarief. De verzekeringsmaatschappij stelt het tarief vast. Dit verschilt per verzekering. De fysiotherapeuten die werken met bijvoorbeeld Fysioroadmap (zeer uitvoerige metingen en andere dingen bij een patient volgens een bepaald computerprogramma, waar je dan een speciale cursus voor moet volgen) krijgen een hoger tarief. Dat is natuurlijk een krankzinnig iets. Het gaat om de deskundigheid en niet waar men is aangesloten. Daar moet de therapeut vrij in zijn. Vroeger mocht je iedere therapiesoort nog declareren. Wat je ook deed. Als je bijvoorbeeld een patient eerst paraffine gaf, dan masseerde en tot slot nog wat liet oefenen, dan waren dat drie tarieven, die je dan bij elkaar mocht optellen. Natuurlijk werd hier wel eens misbruik van gemaakt. Vooral bij therapeuten die het niet zo druk hadden. Maar door de goede controles in die tijd viel het allemaal erg mee en waren de verzekeringsmaatschappijen niet ontevreden over het declaratiegedrag.

Hoe verkrijgt men patiënten?
Voor het krijgen van patiënten was je afhankelijk van de artsen. De vraag was dan:
1. Kennen de artsen jouw praktijk?
2. Vinden ze je goed?
3. Is de praktijk dicht in de buurt?
4. Ben je bekend met de aandoening die de patiënt heeft?

Vaak had de arts zijn ‘eigen’ fysiotherapeut. Dan moest de patient expliciet naar die of die fysiotherapeut vragen. Dat gaf nog wel eens wrijving met de arts. De patiënt wilde absoluut naar die of die therapeut. Zijn vader, moeder, broer, tante had daar zo een baat gehad! Of de therapeut werd gebeld met het verzoek of hij niet even de dokter kon bellen.
Maar hoe werd je bekend bij de artsen?

Reclame
Reclame mocht je niet maken. Je kon je wel bij een arts in de buurt gaan voorstellen of kaartjes afgeven. Meer mocht je niet doen. En dan maar afwachten of de dokter patiënten naar jou wilde sturen. Ik had daar last van. In de sportwereld wordt reclame gemaakt voor de kleding en de schoenen die je draagt. Ook in mijn tijd bij Ajax. Ik kon veel geld verdienen als ik ook het trainingspak ging dragen dat de jongens aan hadden. Ik deed het niet. Ik durfde het niet. Ik wilde geen problemen krijgen met mijn beroepsorganisatie. Daar kwam nog bij dat de echte collegialiteit soms ver te zoeken was. Overleg tussen de fysiotherapeuten was er niet echt. Ik heb een tijdlang, als voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Vrijgevestigde Fysiotherapeuten, de NVVF, in Amsterdam te maken gehad met klachten. Dat ging meestal over een collega die dan een patient had afgepakt of een folder in de brievenbus in zijn woonwijk had gedaan. Dan schreeuwde men “reclame”. Dat is oncollegiaal. Je moet geen patiënten afpakken, maar je moet overleg voeren en desnoods een patient doorverwijzen naar een collega, die iets meer gespecialiseerd is in die bepaalde aandoening. Dat was altijd een moeilijke materie. Doorverwijzen kwam zelden voor en reclame maken was oncollegiaal. In die tijd heb ik veel contact gehad met collega Leffelaar. Hij heeft veel fysiotherapeuten opgeleid. Later verhuisde hij naar Amerika, waar hij in een paar jaar tijd een bloeiende praktijk opbouwde. In het buitenland en vooral Amerika en Canada was en is reclame maken heel gewoon. Artsen, tandartsen, advocaten, ziekenhuizen en fysiotherapeuten maken reclame voor hun praktijk. Vaak zelfs via mooie lichtbakken.Ondanks dat de meningen erg uiteen liepen mocht het hier niet. Hierdoor ben ik veel geld misgelopen. Diverse firma’s wilden dat ik met hun logo, schoenen, kleding of tas ging lopen. Ik heb het altijd geweigerd. Bang dat het Genootschap mij hierover zou aanspreken. Oktober 1972 ben ik bij Ajax weg gegaan.* Toen kon ik met vier medewerkers mijn praktijk gaan uitbreiden. Van de van Breestraat verhuisden we naar de Lairessestraat 88. Dat was in 1971. Meer dan 40 jaar hebben we daar de praktijk gehad. Duizenden patiënten zijn er in die jaren behandeld. De meest uiteenlopende mensen hebben we in al die jaren geholpen. Sommige patiënten komen nog steeds. Toen ik met fulltime werken ben gestopt, ben ik nog wel een dag in de week in de praktijk geweest. Uiteraard is de praktijkvoering en inrichting in al die jaren veranderd. Maar de liefde voor het vak is bij ons allemaal gebleven. Naast de massage en oefentherapie wordt er nu ook veel aandacht besteed aan preventie en revalidatie. De oefenzaal waar vroeger alleen een wandrek en oefenbankje stond is nu gevuld met de modernste apparatuur. Maar we onderscheiden ons wel van een sportschool. Bovendien heb ik voor diverse aandoeningen mijn eigen behandelmethode.

Controle door Overheid
De controle door de overheid is minimaal. Als je eenmaal in het Bigregister en het kwaliteitsregister van het KNGF bent ingeschreven dan wordt je geacht regelmatig bijscholing te volgen. Hiervoor ontvang je dan punten. Ook is er een classificatie naar specialismen, waar je weer aparte punten voor moet halen. Er zijn tot nu toe 5 verschillende cursussen geweest t.w.: Methodisch handelen, verslaglegging, evidence based handelen (dat wil dan zeggen dat alle handelingen bewezen moeten zijn), DTF (Directe Toegankelijkheid Fysiotherapie); en communicatie. Deze cursussen was je verplicht te volgen. Het is mij niet duidelijk waarom we steeds maar weer Engelse woorden gebruiken. In het Nederlands ‘staat het immers ook interessant’! Dat heb ik altijd iets onzinnig gevonden. Om te beginnen moet je natuurlijk op de hoogte zijn van iedere aandoening. Dus allround. Het ingeschreven staan in een soort register bepaalt niet de vakkennis van de therapeut. Bovendien zijn de docenten van de cursussen meestal pas afgestudeerde collega’s. Vaak weten ze minder dan de oudere therapeuten, die al jaren in de praktijk werkzaam zijn. Het echte vak leer je pas goed kennen in de praktijk, en niet vanuit een boek. Vandaar ook mijn suggestie van het eerst ‘meelopen’.

Collegialiteit
In het begin ging je zeer collegiaal met je collega’s uit andere praktijken om. Maar hoe groter de concurrentie is of wordt, hoe minder er overleg wordt gevoerd. De jaren dat ik in het bestuur van de vrije beroepsgroep heb gezeten stond er altijd ‘collegialiteit’ op de agenda. Pak geen patiënten van elkaar af. Val een collega niet af. Zeker niet tegenover een patient. Voer gerust eens overleg. Schaam je er niet voor dat je een bepaalde aandoening niet helemaal onder de knie hebt. Je kunt immers niet alles weten. Zeker niet als je past begint. Ik nam in de begin jaren wel eens waar voor zieke collega’s of voor collega’s die met vakantie waren. Daar hoorde ik op een ochtend een collega aan een patient vragen bij wie ze eerder onder behandeling was geweest. Het bleek collega X te zijn. Hij behandelde haar schouder. Mijn collega zei toen: “Een goede therapeut, alleen heeft hij geen verstand van schouders”. Dat is me altijd bij gebleven. Maar net zo als bij de artsen is er in ons beroep ook een vorm van jaloezie. Jammer, maar waar.

Overleg voeren
Om een patiënt optimaal te kunnen begeleiden moet er regelmatig overleg worden gevoerd.
1. Met de huisarts
2. De specialist
3. De podoloog
4. De instrumentmaker
5. Thuiszorg
6. Verpleegkundigen
7. Het vervoer

Je moet naast het behandelen dus veel  meer handelingen verrichten. In de praktijk moet je vaak zorgen voor:

1. Het vervoer voor de patiënt
2. Helpen bij het invullen van papieren voor de ziektekostenverzekeraar
3. Helpen bij aan- en uitkleden
4. Het leggen van contacten voor de patiënt, zoals het bellen met de huisarts en andere disciplines.
5. Adviseren bij de aanschaf van een rolstoel, rollator en/of parkeervergunning

Natuurlijk komt dit lang niet altijd voor. Het hangt ook af van de leeftijd van de patiënt Oudere patiënten hebben vaak veel meer moeite met allerlei zaken dan jongen patiënten. Vaak hebben ze ( nog) geen computer of zijn bepaalde formulieren te ingewikkeld gesteld. Behandel je patiënten aan huis dan is de zorg vaak nog uitgebreider. Soms moet je helpen met iemand uitkleden, of in- of uit bad halen. Een kopje koffie of thee zetten. Ik heb wel meegemaakt dat een patiënt al een paar dagen niet had gegeten omdat hij of zij niet uit bed kon komen. Ik maakte dan altijd iets te eten, of ging zelfs wel eens een paar boodschappen voor de patiënt doen. Dat kom je tegenwoordig bijna niet meer tegen bij de jonge  collega’s.

Twee patiënten
Mijn patiënte was een lieve, oude dame. Na de dood van haar man woonde ze samen met haar hondje, een eigenwijs blaffende tackel, in een klein appartementje op de vierde etage van een groot flatgebouw. De vrouw was ernstig ziek en ik moest haar dus aan huis behandelen. De therapie bestond uit voorzichtige, cederende massage en ademhalingsoefeningen. Dit alles op advies van de behandelende artsen. Na de behandeling zette ik vaak een kopje koffie of thee voor haar en soms deed ik nog even vlug een boodschap. Er was verder niemand die iets voor haar deed. Ze had geen kinderen en de thuiszorg kwam twee maal per week. Ik regelde voor haar samen met de huisarts dat er dagelijks een wijkverpleegster kwam om haar te wassen en haar bed op te maken. Ook moesten haar medicijnen worden verzorgd. Na enige tijd kon ze deze zaken weer zelf doen. Dat hoorde toen, vond ik, ook tot de taak van de therapeut! ***

Op een avond belde mij een patiënte. Ze was gevallen zomaar ineens. Nee, er was geen kleedje of een telefoonsnoer. Of ik even wilde komen. Het was een verzoek van de dokter. Ik was vroeger al eens bij deze patiënte geweest, dus ik kende haar . Ze stelde zich niet aan, dus ging ik maar even kijken. Haar knieën waren rood en iets gezwollen. Ik haalde ijsblokjes uit de koelkast, deed ze in een plasticzakje en wikkelde het geheel in een theedoek. Dat moest ze twintig minuten op haar knieën leggen. Ondertussen belde ik haar huisarts. “Doet u maar”, zei hij. Ik vond het vreemd dat iemand zo maar valt. Maar de dokter maakte zoiets wel meer mee. De ijspakkingen moest mevrouw vier keer per dag doen. Ze mocht mij altijd bellen. Zaterdagmiddag ging ik nog even kijken. Mevrouw lag in bed met vreselijke hoofdpijn. Haar knieën zagen er beter uit. Ze kon alleen niet zo goed lopen en met plassen en persen bij poepen kreeg ze hoofdpijn. Ik belde direct de huisarts. Ik vertrouwde een en ander niet. Toen ik stage liep in de Hoogstraat had ik zo iets al eens eerder meegemaakt. Dat was heel naar afgelopen. Het bleek toen een hersentumor te zijn. De huisarts had geen dienst, maar de doktersdienst zou er voor zorgen dat hij mij terug belde. Zo geschiedde. Ik vertelde mijn bevindingen. Hij zou maandag gaan kijken en mij dan bellen. Maandagmiddag belde de dokter. “Het valt allemaal wel mee”, zei hij. Voorzichtig vroeg ik of het niets in haar hoofd zou kunnen zijn. “Ben je mal”, antwoordde hij. “Masseer jij nou maar gewoon, dan komt alles goed”. Twee keer per week ging ik braaf masseren. Ze hoefde in huis niets te doen. Ze had een ‘dienstmeisje’, die haar goed verzorgde. Toen ik een week later weer kwam lag ze in bed. Haar hoofdpijn was erger geworden en ze was weer gevallen. Het ging langzaam slechter met haar. Ik verbeelde me dat ze anders ging spreken. Ik stelde ook vast dat ze moeilijker liep. Ze waggelde en kon haar evenwicht niet goed bewaren. Ik belde maar weer eens met de dokter. “Het is toch echt niets in haar hoofd?”, vroeg ik weer. “Ik heb mijn studieboeken er op na geslagen en het zou best eens een tumor kunnen zijn”. “Ben je mal. Masseer jij nou maar, of wat je nog meer wilt doen en dan ga ik nog wel even kijken vandaag of morgen. Van masseren kwam niet veel meer. Ik haalde haar uit bed, hielp bij het douchen en aankleden. Daarna kon ze weer een klein beetje lopen in het huis. Traplopen was uitgesloten. Ook de kracht in haar handen nam af. Soms liet ze spontaan iets uit haar handen vallen Zo ging het niet langer. Ik belde de dokter en zei direct toen ik hem aan de telefoon had: “Dokter mevrouw heeft voor honderd procent een hersentumor”. Ik schrok van mijn eigen woorden. “Misschien heb je gelijk, er moet wat gebeuren. Ik ga direct een en ander regelen. Ze werd met een ziekenwagen naar het Antonie van Leeuwenhoek Ziekenhuis gebracht. Vier dagen later kwam de uitslag: drie hersentumoren. Inoperabel. Ik bezocht het ziekenhuis. Ik mocht haar pijnlijke spieren een beetje masseren. En het ging zowaar beter met haar. Ze mocht naar huis. Ik ging er dagelijks naar toe. Praten en vooral luisteren. Soms deed ik wat passieve oefeningen, bewegingen met haar heupen en knieën. Ze wilde niet al te stijf worden. Dan zou het lopen straks moeilijker gaan! Maar ze raakte in de war. Plaste in bed en kon zelfs haar ontlasting niet meer ophouden. Ze kreeg ook steeds meer pijn. Ik masseerde zo vaak mogelijk. Het was meer zacht wrijven, maar ze vond het heerlijk. Maar de pijn werd heviger. Niet meer uit te houden.
Toen belde de dokter me. Hij zou iedere dag komen voor morfine-injecties te geven. Dan is het over vier dagen afgelopen. “Geen onnodig lijden meer”. Hoewel ik niets anders had verwacht schrok ik toch. Twee dagen later overleed mevrouw. De dokter en ik waren er bij. Ik heb er voor gezorgd dat een nichtje uit Londen kwam. Die heeft de begrafenis verder geregeld. Ik heb op haar graf nog een paar woorden gesproken. Ze was een flinke vrouw, die ik zeer waardeerde.

Waarom deze twee patiënten vermeld?
Omdat het beroep van fysiotherapeut niet alleen masseren en oefenen omvat. Als je het vak goed wilt uitoefenen komt daar veel meer bij kijken. Het is in alle opzichten ‘het begeleiden’ van patiënten. Zeker nu de vergrijzing toeslaat wordt de taak van de fysiotherapeut nog intensiever. In onze praktijk hebben we nog een groot aantal patiënten die aan huis behandeld moeten worden. Natuurlijk wordt dan vaak de thuiszorg ingeschakeld als het nodig is, maar soms springen wij bij. Wij vinden dat het bij het vak hoort en de patiënten zijn ons daar zeer dankbaar voor. “Oud worden is niet erg, oud zijn vaak wel”.

Hoe belangrijk het bewegingsapparaat voor ons is, blijkt pas als we ons niet meer goed kunnen bewegen. Er zijn zeer veel aandoeningen die ons bewegingsapparaat, spieren en gewrichten, aantasten. Als oudere mensen hun dagelijkse dingen niet meer kunnen uitvoeren, is dat een ernstige zaak. Niet alleen vanwege de pijn, daar zijn tenslotte pijnstillers voor. Maar het er niet meer echt bijhoren, dat is vreselijk. De meeste patenten worden eerst verwezen naar de fysiotherapeut. Die stelt samen met de patient een behandelschema op. Vaak is dat dan lichte massage, oefentherapie, een applicatie en het opstellen van een oefenschema voor thuis. Als de klachten erger worden verwijst de huisarts de patiënt naar een specialist. Na een lange wachttijd begint dan een uitgebreid onderzoek. De diagnose is vaak schrikken: reuma, Parkinson, een vorm van dementie of Alzheimer of in het ergste geval een kwaadaardige aandoening.  Dan schrikt iedereen. Was het in het begin nog: “He ouwe, of schiet nou toch op, stel je niet aan”. Nu begint vaak de ellende, de lijdensweg. Voor iedereen. Soms moet de patiënt worden opgenomen. Oudere patiënten hebben vaak een verleden, hebben veel meegemaakt. Ze willen zo snel mogelijk weer onafhankelijk worden van de hulpverleners. Wie dat dan ook mogen zijn: zoals
Arts,
Fysiotherapeut,
Wijkverpleging,
Thuiszorg,
Partner of familie.

Als fysiotherapeut heb je een belangrijke taak in het geheel. De huisarts/specialist heeft weinig tijd voor een begeleiding. Die schrijft meestal alleen een recept uit en komt eens per week kijken!. Maar wij zijn de aangewezen personen om zo een hulpbehoevende patient te begeleiden. Wat wordt er van ons verwacht? Het behandelplan bestaat in de praktijk uit: pijndemping, verbeteren van de mobiliteit en het verbeteren van de spierfunctie. Alles lijkt goed te gaan. Patient heeft minder pijn, een contractuur van bijvoorbeeld de schouder neemt af. De bewegingen worden beter. Wie schetst onze verbazing als de patiënt antwoordt, dat het helemaal niet goed gaat. “Ik kan me niet meer zelf aankleden, scheren, m’n das niet meer strikken, mijn BH niet meer dichtmaken,. Ik kan niet meer naar mijn kaartavond, mijn café, schouwburg enz. “Iedereen laat me ook in de steek”. Achter dit antwoord zitten vaak een aantal verschillende factoren: De patiënt is alleen, dus eenzaam. Hij/ zij heeft een bazige partner Een ongeduldige partner De patiënt of de partner schaamt zich voor zijn gedrag De patiënt is bang. Bij zijn/haar ouders zijn de klachten ook zo begonnen en het resultaat was vreselijk.

Wat moet of kan de fysiotherapeut doen?
Natuurlijk eerst goed luisteren. Wat is nu het verwachtingspatroon van de patiënt? Vaak ziet de patiënt ons als de laatste strohalm. We moeten de patiënt duidelijk maken dat wij geen tovenaars zijn. Soms wel eens een goochelaar. Met ons moet de patiënt kunnen praten, lachen, huilen. De patiënt denkt vaak dat zijn fysiotherapeut wel kan helpen en zelfs de oplossing weet voor zijn klachten. Regelmatig moet je afstappen van het voorgenomen behandelschema. Er moet veel meer gepraat en geadviseerd worden. Moet de huisarts meer worden ingeschakeld, of de specialist? Vaak moet er een beroep worden gedaan op de thuiszorg, wijkverpleging, ergotherapeut of maatschappelijk werk. Soms moet er voor een bepaalde klacht een tandarts worden geraadpleegd. Is een patient alleen dan moet de fysiotherapeut soms gaan praten met familie, buren of kennissen. Het klinkt misschien gek, maar het hoort bij het werk van de fysiotherapeut. Zeker bij ernstig zieke of invalide patiënten.

“Ben ik nog wel de fysiotherapeut”?
Nog moeilijker wordt het bij het behandelen aan huis. Vaak kan de patiënt daar niet openlijk spreken. De patiënt is vaak depressief. Hij is immers zeer afhankelijk. Vaak is een patient zelfs wat agressief. Die stomme fysiotherapie! “Help me liever met naar de WC gaan, een kop koffie zetten, m’n das strikken, m’n haar kammen, nagels lakken of andere zaken”. Daar sta je dan. De gangbare begeleiding bij ouderen was en is dat je de mensen zo veel mogelijk lichamelijk mobiel wil houden. In de loop der jaren heb ik ondervonden dat de patient zelf, maar ook de partner, of de familie het veel belangrijker vinden dat hun partner, vader moeder, zich wat meer mens voelt. “Dat vinden we veel belangrijker dan dat de knie wat meer gebogen kan worden of dat de schouder wat lossen wordt”. Natuurlijk moeten we de fysiotherapie niet verwaarlozen, maar er zit een grens aan. Ook voor ons fysiotherapeuten. Nog moeilijker wordt het met een demente bejaarde. De patiënt wordt meestal naar ons verwezen voor een lichamelijke klacht In een ziekenhuis, verzorgingstehuis of verpleegtehuis heeft een patient met dementie niet zoveel problemen. Men is er op ingesteld, heeft de nodige begeleiding. En er is een fysiotherapeut in huis. Voor een fysiotherapeut in de praktijk of die aan huis moet behandelen is het iets anders. Naast de aandoening komt er nog veel meer kijken.
1. We moeten de patiënt duidelijk maken wat we gaan doen.
2. We moeten zorgen dat we geaccepteerd worden
3. We moeten zorgen dat de patiënt niet bang is of wordt
4. Zorgen dat wij de patiënt begrijpen en hij/zij ons
5. We moeten met de patiënt kunnen communiceren. Soms moeten we alles opschrijven.

Bij deze groep patiënten is het van belang te weten dat de coördinatie gestoord is. Dat ze geen ‘huiswerk’ kunnen doen en dat de partner of familie weinig tijd heeft voor ons behandelplan. Men heeft al moeite genoeg met de patiënt zelf. Een patient die vaak niets meer zelf kan doen. Ook weinig tot niets meer begrijpt Niet uit huis kan of mag. Dus moet er altijd aan huis worden behandeld. De patiënt herinnert zich ook bijna niets meer. Vaak worden de behandelaars ook niet meer herkend. Alleen dingen van heel vroeger komen nog wel eens boven drijven. Vaak vragen deze patiënten naar hun ouders, die al jaren geleden zijn overleden. Het is dus zeer moeilijk om met een demente patient te werken. Nooit je geduld verliezen en altijd gewoon met de patiënt blijven praten, ook al begrijpt hij of zij er weinig of niets van. In dergelijke situaties is het natuurlijk onmogelijk om alleen maar fysiotherapeut te zijn. Tijdens het oefenen moeten de meeste patiënten opeens naar het toilet. De tijd dat wij bezig zijn wordt door de partner of verzorger vaak benut om ‘even vlug’ wat boodschappen te doen. Dan zijn we dus alleen met de patiënt Dan moeten we vaak dingen met en voor de patiënt doen waarvoor we uiteraard niet zijn gekomen. Samen een liedje zingen, een glaasje water halen. De patiënt wil zijn haar gekamd hebben of zijn bril zit niet goed. Hij of zij is ook zeer snel afgeleid. Zien plotseling iets dat wij niet zien. Wat er ook  helemaal niet is. Soms wordt een patient opstandig en klapt dan dicht. Om dit tegen te gaan moeten we vaak spelletjes met hem spelen, puzzelen, voorlezen, muziek laten horen. Daar tussen door moet er natuurlijk wel aandacht worden besteed aan bijvoorbeeld de contractuur van de knie, zijn of haar astma of diverse pijnen. We moeten ons ook realiseren dat deze patient veel meer tijd kost dan ‘gewone’ patiënten. De verwijzer die de patiënt meestal al jaren kent en hem ook heeft zien aftakelen is blij met ons. Want deze patiënten vormen helaas een enorme belasting voor de dokter, de partner, familie, vrienden, kennissen en eventuele andere hulpverleners. Wij zijn in de eerste plaats geroepen voor de lichamelijke aandoening. Maar daarmee is dus de kous niet af. Zijn we eenmaal met de thuisbehandelingen begonnen dan is het bijna altijd een ‘blijvende’ patient. We hebben meestal ook carte-blanche om andere hulpverleners te mogen raadplegen. Onderzoeken hebben aangetoond dat een goede samenwerking tussen de verschillende disciplines in de eerste lijn een optimale patiëntenzorg tot gevolg heeft.

In het bijzonder kan de ergotherapeut vaak verlichting brengen door kleine of zo nodig grote aanpassingen te verrichten. De wijkverpleging en vaak ook de psychiater moet worden ingeschakeld.
We hebben bij deze patiënten te maken met

1. De gezondheid.
2. Het sociaal- maatschappelijke aspect
3. Het sociaal economische aspect (financieel gebied)

De Vergrijzing
Al met al kunnen we stellen dat door de vergrijzing er steeds meer problemen kunnen ontstaan die voor de fysiotherapeut van belang kan zijn. We moeten ons dan bezig houden met de ‘totale’ mens en niet meer alleen met het fysiotherapeut zijn.
Er zijn natuurlijk fysiotherapeuten die zich alleen maar bezig houden met deze patiënten. “De geriatrische fysiotherapeut”. Maar werken met demente mensen komt ook regelmatig voor bij de ‘gewone’ fysiotherapeut en vereist een totaal andere aanpak.

De ‘gewone’ patiënten
Hoe staat het met onze dagelijkse patiënten, die we in de praktijk behandelen?
Veel patiënten blijven lang in de praktijk. Soms zelfs te lang. De reden is meestal eenvoudig te raden.

1. Ze zijn tevreden met de behandelingen
2. Het klikt met de therapeut
3. De klachten verminderen
4. Zij of hij vindt de behandelingen lekker
5. De dokter wil het
6. De therapeut vindt het nodig
7. Kan men later of helemaal niet naar het werk. “Laat u mij maar om tien uur komen, kan ik nog wat uitslapen.” “Ik kom wel om vier uur, dan hoef ik niet meer terug naar mijn werk”.

Maar soms komen patiënten niet meer terug. Daar zijn verschillende redenen voor

1. Het helpt niet
2. De therapeut doet niet wat de patiënt wil, of verwacht
3. Het klikt niet erg tussen patient en therapeut
4. De verzekering betaalt de behandelingen niet (meer)
5. Men heeft een andere therapeut genomen, bijvoorbeeld dichter bij huis
6. Vrienden of kennissen ‘lopen’ bij een ander en zij hebben er baat bij.
7. De dokter vindt het niet meer nodig
8. De therapeut vindt het niet meer nodig. De patiënt is van zijn aandoening genezen, of er is helaas niets meer aan te doen.

De Praktijk
De tegenwoordige praktijk is niet meer te vergelijken met de praktijk die vroeger bestond. Wij hadden en hebben nog altijd een witte jas aan. Als fysiotherapeut heb je een bepaalde status en die wil de patiënt graag zien. Hij of zij wil toch graag een beetje tegen de therapeut, zijn hulpverlener, opkijken. Dat geeft meer vertrouwen. Tegenwoordig heeft men een spijkerbroek met een T-shirt aan. Bovendien noemt men iedereen ook gewoon bij de voornaam. Veel patiënten willen dit niet, maar het moet. Het zou een betere band scheppen met de patiënt Niets is minder waar. Uit onderzoek is weer eens gebleken dat de doorsnee patient naar zijn of haar fysiotherapeut gaat, en niet naar Henk of Marion. Bovendien is een witte jas ook hygiënischer.

De Opleidingen
Ook is de opleiding totaal anders dan vroeger. Minder theoretische vakken. De hoofdvakken zijn anatomie, fysiologie en pathologie. En dan sneller de praktijk in. Waren er vroeger twee of drie opleidingen, tegenwoordig vindt men bijna in iedere grote stad wel een opleiding voor fysiotherapie. ‘De Hogeschool van Amsterdam; the European school of Physiotherapy; Hanze Hogeschool in Groningen, Hogeschool Leiden, Rotterdam, Utrecht en Amsterdam, Saxion Fysiotherapie, Thim Hogeschool voor Fysiotherapie en tenslotte Avaris Hogeschool in Breda. Er is dus keuze genoeg. Ook zijn er veel nascholingscursussen. Bijna op ieder gebied kan men wel een cursus volgen, zoals: Hydrotherapie in de neurologie, het schoudersyndroom, lichaamsbewustwording, stressmanagement, een cursus voor hoofdpijn, neurorevalidatie, rugklachten en bekkenproblemen, COPD en astma. Bij het Nederlands Paramedisch Instituut zijn er nog veel meer cursussen te volgen. Ook het programma in de sportscholen is sterk veranderd. Vroeger kon men in een sportschool judoën, boksen, conditieverbeteren door middel van oefeningen. Kwalijk vind ik het als fysiotherapeuten zich bezig houden met het verkopen van vitamines en dergelijke zaken. Daar zijn we niet voor opgeleid en bovendien werk je niet meer als fysiotherapeut. We moeten af van het imago dat de arts denkt dat wij voor ‘doktertje’ willen spelen.

Een doorsnee-dag
Hoe zag een dag van ons er uit.? Mijn dagen waren overvol. Ik stond om kwart voor zeven op. Bij het ontbijt om kwart over zeven nam ik de agenda door en eventueel wat statussen van bijzondere patiënten. Was er nog tijd over dan las ik de ochtendkrant nog door. Dat kon ik met de patiënten meepraten als het over bepaalde zaken ging!
Even voor acht ben ik dan in de praktijk. Beantwoord enkele vroege bellers en luister het antwoord apparaat af. Dan bespreek ik met de collega’s enkele moeilijke patiënten en verdelen we de huisbezoeken. Met de secretaresse worden duidelijke afspraken gemaakt over te bellen collega’s, artsen en patiënten. Brieven die geschreven moeten worden. Het maken van de rapportage naar de diverse artsen en de te ontvangen bezoekers. Om half negen komen de eerste patiënten binnen. Ieder half uur wordt er gewisseld. Sommige patiënten blijven een uur. Tussen de middag wordt er drie kwartier geluncht. Dan worden er weer diverse patiënten doorgenomen. Speciale aanpassingen voor patiënten besproken.
Met de secretaresse bespreken welke statussen ze moet aanvragen bij de huisarts, ziekenhuis of collega. Het regelen van vervoer voor patiënten, bellen met ziekenfonds, verzekeringsmaatschappijen. Het verkrijgen van hulpmiddelen en aanpassingen in het huis van de patiënt. Half twee komen de eerste patiënten weer. Tussen de patiënten door wordt er koffie of thee gedronken. Ook de patiënten kunnen iets drinken. Vaak nemen de patiënten iets lekkers mee. Half zes gaan de laatste patiënten weg. Dan moet de praktijk worden opgeruimd. Schone lakens en handdoeken worden dan op de banken gelegd. De meeste patiënten nemen hun eigen handdoek mee. Of blijven bij ons in een schone tas met de naam er op.
Twee avonden per week heb ik dan nog spreekuur voor patiënten die overdag beslist niet kunnen komen. De andere avonden heb ik nog een paar patiënten die aan huis behandeld moeten worden. Meestal ben ik om half tien thuis. Dan neem ik de post nog even door en om tien uur sluit ik de dag af. We werkten hard en de sfeer in de praktijk was geweldig. We hadden geen eigen patiënten. We rouleerden. Dat lijkt misschien vreemd, maar het werkte geweldig. Zo leerden de patiënten ons allemaal kennen. Als dan iemand van ons met vakantie ging, of er eens een dag niet was, dan kregen de patiënten geen ‘vreemde’ therapeut aan wie ze dan weer hun hele geschiedenis zouden moeten vertellen.
Wij vonden het goed werken en nog belangrijker vonden we dat de patiënten met dit systeem uiterst tevreden waren.

De “Tetzner”methode
Een van de artsen die ons veel patiënten stuurde was de beroemde chirurg Hans Tetzner. Samen met hem hebben we meer dan zes duizend knieën behandeld. Hij zelf heeft meer dan dertien duizend knieën geopereerd. Tetzner had zijn opleiding in Amerika genoten. Jaren lang werkte hij als chirurg bij de beroemde Mayo Kliniek in Californie
Zijn aanpak was anders dan bij andere artsen. Hij opereerde eerst in de Spinoza Kliniek en later in de Boerhaave Kliniek in Amsterdam. Beide klinieken bestaan als zodanig niet meer. Als de patiënten waren opgenomen dan kwam eerst de narcotiseur een praatje maken. Dan kwam ik. Ik leerde de patiënt enkele oefeningen die hij ieder uur moest doen voor hij of zij werd geopereerd. Dat waren dan spierversterkende oefeningen voor de Quadriceps, de bovenbeenspieren, mobiliserende oefeningen voor knie en enkel en tenslotte nog wat ademhalingsoefeningen. Direct na de operatie werd de knie ingepakt en in een stalen koker gelegd. De patiënt mocht de knie absoluut niet buigen. Dezelfde dag kwam ik dan naar het ziekenhuis voor een behandeling. Ik haalde de koker er af, verwijderde de vette watten en het verband en masseerde het been zeer licht. Ik raakte de knie uiteraard niet aan. Dan kreeg de patiënt een oefenrecept dat hij ieder uur moest uitvoeren. Iedere oefening acht keer. Ik begon dan met het aanspannen van de Quadriceps, het expliciet omlaag drukken van de knie in het bed. Daarna het been een klein stukje optillen, en zo drie tellen vasthouden. Dan weer ietsje optillen en proberen drie kringen te maken. Eerst links om en dan rechts om. Toen was de voet aan de beurt. Allerlei voetbewegingen en kringetjes. De patient moest altijd goed blijven doorademen en vooral niet persen. Aan het voeteneinde plaatste ik altijd een soort stoof waar de patiënt de voet tegen aan moest drukken, zodat er geen spitsvoet kon ontstaan. Na de behandeling deed ik het verband en de koker weer om de knie en het been. De derde dag mocht de koker en het verband er af. Dat deed ik dan altijd. Er mocht dan licht worden gebogen en er werd begonnen met lopen. Eerst met behulp van een loopfiets en de vierde dag zonder hulpmiddelen. In het begin waren de patiënten bang. “Er kan toch niets gebeuren? De wond kan toch niet open gaan”? De vijfde dag gingen we al voorzichtig traplopen. Zodra de patiënt dat kon, en dat was bijna altijd het geval, dan mocht hij of zij naar huis. De eerste week kwam ik nog naar huis en daarna kwam de patient nog twee weken in de praktijk. Na zes weken mocht de patiënt weer alles doen wat hij of zij wilde. Zelfs weer volop gaan sporten. Dat was een fijne tijd en bovendien leerde ik veel van dokter Tetzner Tegenwoordig krijgen de patiënten na een knieoperatie geen nazorg meer. Alleen als de klachten blijven bestaan dan wil de arts nog wel eens doorsturen. Maar het is beslist niet de gewoonte. Het hoort ook niet meer bij de operatie. Het gevolg is wel, dat de knie vaak zeer lang dik blijft. De patiënt is hierdoor beperkt in zijn bewegingen en bovendien zijn er vaak pijnklachten Het zou mijns inziens beter zijn als de patiënt wel een korte tijd zou worden nabehandeld.

Richtlijnen
Het KNGF heeft een praktijkrichtlijn voor o.a. de meniscectomie. Ik zal u de totale richtlijn besparen. Het is een soort van brochure bestaande uit 31 pagina’s en is gedateerd als nummer 6, 2006. Naast deze brochure bestaat er ook een geplastificeerde folder van deze richtlijn. Ik heb de folder eens doorgenomen met een patient. Na een half uur wilde hij weten wanneer ik begon met de behandeling. De dokter had immers een brief mee gegeven. Daar stond toch alles wat ik moest weten in. Waarom dan zelf nog eens voor dokter spelen? Hij had gelijk. Ik ging behandelen op de wijze die ik op mijn stageadressen had geleerd en uit eigen ervaring.

Als voorbeeld zal ik hier toch een verkorte richtlijn voor het lichamelijk onderzoek bij een meniscectomie vermelden:
Inspectie en palpatie:
• hydrops, synovitis (harde zwelling, niet verplaatsbaar), kleur, temperatuur, vorm.
• Pijn bij belasten
• Statistiek, standafwijkingen
• Actualiteit/fase in het ontstekingsproces

Dan het bewegingsonderzoek:
• gangpatroon (dynamisch symmetrisch, met of zonder krukken
• actieve en passieve stabiliteit
• proprioceptie
• spierkracht (functioneel) flexie, extensie, rotatie, lateroflexie
• gevoel van ‘giving way’
• mechanische stabiliteit
• dynamische balans
• lokale/algemene belastbaarheid

Zo staat de folder vol met aandachtspunten of zoals u wilt richtlijnen. Tegenwoordig spreekt men liever over ‘protocollen’.
Ik moet bij deze richtlijnen altijd denken aan mijn eerste acupunctuurlessen. Daar kreeg ik dan een poppetje met allemaal puntjes er op getekend. Dat waren de acupunctuurpunten waar je de naald moest inprikken. Toen mijn Chinese leermeester, dokter Siow, het poppetje later tegen kwam vroeg hij of ik nooit iets had geleerd en zelf niet kon nadenken. “Weg ermee”. Die neiging heb ik ook met de richtlijnen, hoe nuttig ze ook voor sommige fysiotherapeuten kunnen zijn.

De dagelijkse praktijk
De praktijk breidde zich meer en meer uit. Vaak hadden we meer dan honderd patiënten per dag. Maar we waren een geweldig team. We keken nooit naar de klok. We gingen pas naar huis als de laatste patiënten behandeld waren. En dat was vaak laat!
Voor een groot deel waren we gespecialiseerd in blessures. Daardoor kwamen er zeer veel sportmensen naar de praktijk. We behandelden veel voetballers. Niet alleen van Ajax, maar bijna alle amateurclubs in Amsterdam stuurden hun geblesseerde spelers. Tafeltennissers, basketballers, rugbyspelers, zwemmers, allemaal kwamen ze naar de praktijk.
Het was iedere dag weer een feest. Als ik in mijn receptieboek blader dan kom ik vele bekende namen tegen, naast alle onbekenden die ons even dierbaar waren. Ik lees onder andere: Jaap van Zweden, Edo de Waart, Corry van Gorp, Simone Klijnsma, Johnny Kraaijkamp, Rijk de Gooyer, Ton van Duinhoven, Wim Sonneveld, Robert Long, Prins Bernhard, Pia Beck, Marco Bakker, Karel Appel, Rex Harrison, Rudolf Nureyev, Oleg Popov, balletdansers, waaronder Alexander Radius en Han Ebbelaar, Peter Post, Ton Boot, Edgar Vos, Ed van Thijn en nog veel meer beroemdheden. Het was iedere dag een genot om naar de praktijk te gaan.
Er werd veel gelachen en uiteraard soms ook gehuild.

Tuchtcollege
Zo herinner ik mij een patiënte als de dag van gisteren:

De beroemde chirurg Hans Tetzner stuurde mij een patiënte met knieklachten. Deze vrouw, 76 jaar oud, was erg nerveus en leed bovendien aan de ziekte van Parkinson. Ze werd vergezeld door haar dochter, die erg lief en geduldig met haar moeder omging. De patiënte was veel te zwaar en daar ze altijd een staand beroep had gehad, was het geen wonder dat haar knieën het op een gegeven moment hadden begeven. Een ernstige vorm van artrose. In het verleden was de patiënte meerdere malen bij een fysiotherapeut geweest en dat was haar slecht bevallen. Ik overlegde met Tetzner wat precies de bedoeling was. “Ze moet wat mobieler worden, minder pijn krijgen. Deze mevrouw moet eigenlijk vertroeteld worden.” “Geen zware oefeningen,” zei haar dochter nog. Dus besloot ik rustig te masseren, nadat ik de knieën eerst een kwartier had ingepakt met paraffine omslagen. Lekker warm, ontspannend en goed voor de circulatie. Opeens begon de vrouw te huilen. Lange uithalen. “Ik voel me zo rot,”zei ze. “Ik kan niets meer en iedereen laat me in de steek.”
Haar dochter vertelde me dat ze jaren met stoffen op de markt had gestaan. Nu kon ze niet eens meer rustig een kopje koffie drinken, zonder te morsen. Na de eerste behandeling beloofde ik haar een vermindering van pijn in de knieën. ( Ik stelde de meeste patiënten altijd gerust en beloofde ze altijd dat ik iets aan hun aandoening kon doen)
Ik maakte een uitgebreid rapport en stuurde een kopie naar de specialist en de huisarts. Na de vierde behandeling voelde de patiënte zich een stuk beter. Ze had minder pijn en het scheen haar toe dat ze ook beter kon lopen. In ieder geval wat makkelijker. Ik meldde dit aan de specialist. Toen kwam de terugslag op het geestelijke vlak.
Tijdens de zevende behandeling moest ze ineens weer vreselijk huilen. “Mijn kinderen laten mij verrekken. Zelfs mijn dochter. Ik ben alleen hierheen gekomen, met een taxi. Schande!” Ik kalmeerde haar, gaf haar een glaasje water en een half tabletje Seresta. Dit in overleg met haar huisarts. Door haar toestand duurden de behandelingen steeds langer. Maar ik kreeg haar weer kalm. Het beven werd minder hevig en ‘ze had er weer zin in’. Op verzoek van de specialist en van mijn patiënte verlengde ik de behandeling. Het ziekenfonds waarbij mevrouw verzekerd was, wilde eerst een keuring. Dit werd geregeld zonder dat haar huisarts of haar specialist hiervan in kennis werden gesteld!
Het resultaat was verbazingwekkend. Ze mocht niet meer behandeld worden. De arts die haar had gekeurd was een orthopeed die ik niet kende. Ik had ook nog nooit van de man gehoord. Ik belde de dokter op. Na veel vijven en zessen wilde hij wel even aan de telefoon komen. “Ik wil graag even overleggen waarom mevrouw niet meer behandeld mag worden,”zei ik. De dokter wenste hier niet op in te gaan. Hij sprak niet zo graag met mijn soort, zei hij letterlijk. Ik was perplex wat verbeelde deze beginnende orthopeed zich wel! Ik belde hem nogmaals, maar meneer kwam niet meer aan de telefoon. Hij had betere dingen te doen. Ik schreef op advies van andere artsen een brief naar het Medisch Tucht College. Het college nam de zaak hoog op en er volgde een zitting. Tot mijn stomme verbazing werd er een brief ingebracht van mijn patiënte. Keurig met de hand geschreven, waarin mevrouw in juridische termen te kennen gaf niet meer door mij behandeld te willen worden. Dat “beetje wrijven en die warme pap”hielpen immers niet. Bovendien was het ook niet de moeite waard om voor tien minuten helemaal naar mij te moeten komen. Daarvoor was de reistijd te lang. De orthopeed, keurig in grijze broek en blauwe blazer, kwam heel arrogant over. Het irriteerde zelfs de rechter. Hij liet zich juridisch bijstaan door de toenmalige advocaat Anneke Goudsmit. Ik voerde mijn eigen verweer. Ik vertelde de rechters dat de ingebrachte brief onzin was. Ten eerste kon mevrouw vanwege haar Parkinson nauwelijks schrijven en ten tweede was haar kennis van de Nederlandse taal, met alle respect, niet van dien aard dat zij een dergelijke brief had kunnen schrijven. Die moest haar op zijn minst zijn ingefluisterd. De uitspraak volgde na zes weken.
De opmerking over mij werd hem zeer kwalijk genomen. Er was geen duidelijke reden naar voren gekomen waarom de patiënte de behandeling zou moeten staken. In tegendeel zelfs. Bovendien moest de orthopeed zijn excuus aan mij aanbieden,. De orthopeed ging in hoger beroep. Dus met z’n allen naar Den Haag. Daar werden nog meer leugens ingebracht. De rechter vroeg wat de dokter bedoelde met “uw soort”? De orthopeed ging nu stotteren, kreeg een rood hoofd en zei dat hij bedoelde dat de fysiotherapeuten altijd dachten dat zij arts waren. De rechter moest lachen. De dokter moest zich wel realiseren dat hij onder ede stond.  Toen toverde zijn advocaat weer een brief te voorschijn met de mededeling dat patiënte slechts vier keer was behandeld en dat ik veertien keer bij het ziekenfonds had gedeclareerd. Gelukkig had ik de afsprakenkaartjes van de patiënte in mijn bezit. Die had ze tijdens haar laatste behandeling vergeten. Ze zaten netjes in een plastic hoesje samen met haar lidmaatschapskaart van het ziekenfonds. Er stonden vijftien afspraken op. Ik overhandigde de rechters mijn status van de patiënte. Hier stond alles keurig op vermeld. Haar huilbuien, de Seresta, de koffie, de glazen water, de vele gesprekken en natuurlijk de therapie. Bovendien had ik ook de duur van de behandelingen vermeld. Dat patiënte mij na iedere behandeling ongevraagd een kus gaf en het jammer vond dat ik haar zoon niet was, vermeldde ik ook nog even. De voorzitter van het Hof gaf de arts tijdens de zittint nog een berisping voor zijn arrogante houding. Weer zes weken later kwam de uitslag. De arts kreeg nu een officiële waarschuwing. Hij had zich niet zoals een arts betaamt tegenover mij gedragen. Bovendien was patiënte juist zeer tevreden over mij en de behandeling.
Tenslotte werd de klacht van de orthopeed dat “Muller alleen maar sportmensen behandelt”weggehoond. Hun beschuldiging over de vermeende malversaties van het ziekenfonds werd afgedaan als lasterpraat. En dat ik hierover geen klacht wilde indienen werd bestempeld als nobel. Een week later kreeg ik een excuusbrief van de dochter. Haar moeder had helemaal niet begrepen waarover het ging. Ze had alleen maar een keer haar handtekening ergens onder moeten zetten. Ik heb haar nog jaren behandeld, met respect van beide kanten. De orthopeed praktiseert nog steeds. Alleen niet meer in Amsterdam.

Notities maken
Waarom nu ook weer deze patiënte genoemd. Ten eerste moeten we te allen tijde onze handelwijze, onze bevindingen, de gesprekken met de patiënt, arts en specialist goed notuleren. Ook de brieven en de verslagen naar de arts en specialist zorgvuldig bewaren. De mondelinge afspraken met patient, arts en zorgverzekeraar altijd op schrift stellen en indien  nodig bevestigen. Tegenwoordig kan dat allemaal op de computer en dus is een mail snel verstuurd. Of soms zelfs nog per fax kan dat. Dan moeten we ons niet laten kleineren, door niemand. Ons beroep is zeer waardevol. Duizenden patiënten hebben baat bij onze hulp. En mochten we soms misschien een beetje ‘de dokter’ lijken, dan doen we dat in het belang van de patiënt en zeker niet om ‘dokter te spelen’. Die tijd hebben we gehad! Wel worden we geacht SMART te werken: Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden. Wie zou deze termen hebben bedacht? Wat blijft er van ons ‘vrije, mooie’ beroep nog over?

De Beroepsorganisatie II
Vroeger was de beroepsvereniging het Nederlands Genootschap een echte club van collega’s. Daar kon je terecht met vragen, zoals het opstarten van een praktijk, afsprakenkaartjes, de tarieven en nog veel meer. Tegenwoordig is het Koninklijk Genootschap voor Fysiotherapie veel meer een club die het beroep alleen maar moeilijk maakt. Er worden verplichtingen opgelegd, nog los van het veel te hoge lidmaatschapgeld, die niet goed zijn voor het beroep. Een beroepsorganisatie is er voor de leden en moet altijd proberen om het beroep zo mooi en eenvoudig te houden of te maken. Ze is helaas geen echte professionele club. Al is het tegenwoordig gelukkig beter dan voeger.
Ze huren wel experts in, maar ze moeten een voorbeeld nemen aan de artsen, specialisten. Die vechten voor hun leden in alle opzichten. Die maken een vuist met zijn allen. Wij blijven een veel te bescheiden vereniging, waar men gemakkelijk over heen loopt. We moeten veel meer doen aan onderzoek. Bewijzen dat fysiotherapie echt helpt. Zelfs beter is dan medicijnen. Niet klakkeloos aannemen dat een rugblessure beter met rust dan met behandelen kan genezen. Dat is lang niet altijd het geval. In mijn tijd dat ik nog voor de NVVF naar Den Haag mocht gaan en met onder andere de heren Dees en Franssen (om er maar twee te noemen) heb gesproken waren ze het roerend met mij eens. Jammer, maar waar.
Er worden ons tegenwoordig zo veel verplichtingen opgelegd dat we naast ons werk als fysiotherapeut veel meer zaken moeten doen. Ongelukkig ben je als je geen computer hebt. Je wordt er toe gedwongen. En iedereen vindt het de gewoonste zaak van de wereld. Schaf maar weer een nieuw programma aan. Doe maar precies wat de verzekeringsmaatschappijen willen. We pikken alles maar. Waarom gaan er zoveel fysiotherapeuten over op de fitness? Anderen verkopen allerlei spullen in de praktijk. Vitaminen, hoofdkussens, voetzooltjes, ga zo maar door. Dat is jammer en mijns inziens ook niet nodig. Ons tarief is al die jaren afgeroomd. Het is dus te weinig. De beroepsorganisatie heeft nauwelijks duidelijk kunnen maken dat een fysiotherapeut een wezenlijke bijdrage levert aan de gezondheidszorg. Dat wij vakmensen zijn met een enorme vakkennis. Kappers, loodgieters, schilders, stukadoors verdienen veel meer per uur. En hoeven er ook niet zoveel bijzaken voor te doen. Er is dus tot nu toe nauwelijks gedegen onderzoek gedaan naar het nut van de fysiotherapie. Onder redactie van collega Thomas J.A. Terlouw is een mooi boek verschenen: “Geschiedenis van de Fysiotherapie gezien door andere ogen”. Ik lees hierin dat op 30 november 1889 werd opgericht het genootschap ter beoefening van de heilgymnastiek in Nederland. Nu is het dan het KNGF. In 1891 kwam het eerste tijdschrift, gewijd aan de Heilgymnastiek. (nog geen massage). We lezen ook dat de heilgymnastiek een onderdeel vormt van de geneeskunde. Toch ondanks alle voorschriften, protocollen, blijft ons vak mooi en boeiend.

Eigen inzicht?
Toen ik begon kon je met je kennis en inzicht iemand goed behandelen. Tegenwoordig volg je andermans kennis. De kennis van het Genootschap voor Fysiotherapie. Ze schrijven via protocollen de behandeling voor. Over de knie heb ik het al gehad, maar zo is er voor bijna iedere aandoening een richtlijn. Zelfs voor de Fysiotherapeutische Verslaglegging. Vroeger hadden we een kaart, waarop we uitgebreid iedere behandeling vermeldden. Hierop stond dan de naam, geboortedatum, en adres van de patiënt, de huisarts en/of specialist, de aandoening, de therapie die wij wilden toepassen en de data dat patient werd behandeld. Indien nodig werden er metingen gedaan, die dan ook werden vermeld. Bij de kaart werd de verwijsbrief met de diagnose en de bevindingen van de verwijzer gedaan. Dat was dan meer dan genoeg. We konden direct met behandelen beginnen. Nu is er in 2003 een richtlijn uitgegeven door de beroepsorganisatie. Die omvat acht uitgebreide punten.

Een stappenplan met verwijzing en aanmelding:
• persoonsgegevens van de patiënt
• verzekeringsgegevens van de patiënt behandelend fysiotherapeut
• huisarts
• verwijsgegevens: – Verwijzer
Specialisme van de verwijzer
Verwijsdatum
Verwijsdiagnose / diagnostische gegevens
Eventuele consultvraag
• Anamnese
• Contractreden / hulpvraag van de patiënt
• Ervaren problemen aangaande functioneren
• Medische (voor) geschiedenis
• Andere of eerdere verleende zorg

• Onderzoek

• Diagnostische verrichtingen
• Bevindingen van de fysiotherapeut
• Resultaten van onderzoek

Zo gaat de verslaglegging maar door. Er zijn bovendien nog een scala aan Plusgegevens. Om dol van te worden. Ik denk dan maar dat het richtlijnen zijn. Want als je echt volgens deze richtlijnen zou gaan werken dan ben je alleen al aan het ontvangen van een patiënt een paar uur bezig. Gelukkig zijn er tegenwoordig computerprogramma’s die een stuk eenvoudiger en veel sneller zijn te gebruiken.

Wij gingen vroeger (en dat doe ik nu nog steeds) als er een patient kwam al bij de eerste behandeling, of zoals u wilt afspraak, direct na een kort inleidend gesprek over tot het behandelen. Tegenwoordig bestaat de eerste ‘behandeling’ uit een vraaggesprek. Daar zijn de meeste patiënten niet erg blij mee. Ze willen zo snel mogelijk van hun klacht af. Onder het behandelen kan men ook praten met de patiënt

Als ik na het ontslag van een patiënt een brief naar de huisarts of specialist stuur dan krijg ik steevast de opmerking dat de brief veel te uitvoerig is. “Ik heb al zo weinig tijd en dan nog al die brieven. Een kort resumé is voor mij meer dan voldoende.
Dat jij voor zulke brieven de tijd hebt. Ongelooflijk”. Daar kan ik het dan mee doen. Ik heb er ook de tijd niet voor, maar ik moet wel. Gelukkig had ik de hulp van een fantastische secretaresse en mijn vrouw.

Nu begrijp ik best dat een pas afgestudeerde fysiotherapeut een dergelijke Richtlijn als voorbeeld best kan gebruiken, maar na verloop van tijd krijgt hij toch zijn eigen invulling.
Ook daarom zou hij/zij eerst een jaartje mee moeten lopen met een gevestigde collega. Dat zou voor beiden goed zijn. Ze kunnen van elkaar leren!
In plaats van een machtiging heb je tegenwoordig te maken met een contract. Hierover lopen de meningen sterkt uiteen.
De meeste fysiotherapeuten hebben een dergelijk contract, maar er is wel veel discussie over. Een aantal denkt zonder contract mogelijk een hoger tarief te kunnen berekenen, gebaseerd op de kwaliteit van het geleverde werk. Maar het feit dat een zorgverzekeraar dan voor een patient minder vergoedt dan aan de behandelaar die wel een contract heeft, weerhoudt nog veel fysiotherapeuten van het zetten van de definitieve stap om geen contract meer af te sluiten.
Het beste zou mijns inziens zijn dat een patient zelf de fysiotherapeut betaalt. Hij kan dan zelf het bedrag van de nota bij zijn/haar zorgverzekeraar terug vorderen.
Dat systeem kennen ze onder andere in België.

Het masseren
Voor mij was het masseren van zeer groot belang. ‘Het voelen’, daar gaat het om. Waarom zijn blinde masseurs zulke goede vaklieden? Zij ‘zien’ alles met hun handen. En dat ios een zeer belangrijk onderdeel van het behandelen.
Daarom ga ik hier wat dieper in op het masseren. De term, ‘Hands off’, die tegenwoordig veel wordt gebruikt, ken ik niet. Ik wil een klacht kunnen voelen. Ik wil weten waar de patiënt echt pijn heeft. Of de spieren inderdaad hard en gespannen zijn. Dan moeten eerst de spieren weer soepel en los worden gemasseerd voordat de patiënt met oefeningen kan beginnen. Vaak komen er patiënten bij mij voor een second opinion. Ze hebben dan al geruime tijd pijn in de rug, in de nek of elders. Ik constateer dan vaak harde, gespannen spieren. Op de vraag of ze gemasseerd worden is het antwoord bijna altijd “Nee”. En dat is jammer. Oefeningen doen is prima, maar het moet wel kunnen zonder pijn. Spierpijn mag in lichte mate. Maar niet zodanig dat men zich een paar dagen niet kan bewegen. Het beste recept dat wij nog steeds toepassen bij spierpijnen is: beginnen met warmte. Wij geven meestal paraffinepakkingen. Dan rustige, cederende massages. Is de pijn minder en de patiënt kan zich weer goed bewegen dan krijgt hij/zij een oefenschema. De oefeningen moeten dan ook thuis worden gedaan. Dat wordt door ons zorgvuldig gecontroleerd. Want vaak zegt een patiënt ‘Ja’, maar is het ‘nee’! Dat laat ik de patiënt een paar oefeningen even voor doen. En dan weet hij/zij ze opeens niet meer zo goed! Een massage bestaat uiteraard niet alleen uit fricties. Bij meerdere patiënten werden fricties met de elleboog uitgevoerd. Dat is natuurlijk raar. Met de handen kan men voelen. Eventueel ook met de voeten, maar zeker niet met de elleboog.

Bij massage kennen we vijf verschillende handgrepen:
• Effleurage, het wrijven of strijken. Het beïnvloedt de bloed- en lymfestroom.
• Petrissage, het kneden. Heeft een diepere werking dan de effleurage. Het kneden is speciaal voor de spieren. Het veroorzaakt een goede doorbloeding, waardoor er een ontspanning en pijnvermindering kan ontstaan. Bij snel kneden wordt het weefsel geactiveerd en bij langzaam kneden ontspannen de spieren.
• Frictie. Frictioneren doet men door met een constante druk op de huid kleine cirkeltjes te maken.
• Het wordt toegepast bij diepliggende spierverhardingen en soms bij geïrriteerd gewrichtskapsel en bij spier- en peesaanhechtingen. Het geeft een sterke doorbloeding in een klein gebied.
• Het is een pijnlijke behandeling, die vaak met ijspakkingen wordt toegepast. Ik deed het nooit zo hard dat ijs nodig was. Maar ik heb het regelmatig gezien van collega’s, tot blauwe plekken aan toe. Ik vind dat men dan te hard te werk is gegaan. Bovendien is het gevaarlijk. Er kan hierdoor zelfs een myositis ossificans ontstaan. ( na een ongeval of te harde ingreep ontstane verkalking van beschadigde spiergedeelten rondom de plaats van de blessure of ingreep)
• Hakken en kloppen, Dit werd vroeger bij een ‘echte’ sportmassage toegepast. en ziet het nog wel bij het wielrennen. Kloppen past men nog wel toe bij bepaalde longaandoeningen waarbij slijm vastzit. Men was er een tijd op tegen, maar tegenwoordig past men deze methode weer meer toe Ik zelf heb er goede resultaten mee bereikt. Het slijm komt los en de patiënt kan nu ook beter ophoesten en daardoor beter en makkelijker ademen.
• Vibreren en schudden. Vibreren paste men vroeger veelvuldig toe. Het is het zeer snel geven van trillingen loodrecht op de huid. Vibreren kan worden gedaan met de hele hand, de vingertoppen of met een machine. Het schudden van spieren past men vaak toe aan het einde van een sportmassage. Speciaal bij de armen en de benen.

Voorzorgsmaatregelen
Massage is een intensieve bezigheid. Soms ook voor de patiënt. Het komt regelmatig voor dat een patient na het masseren moet plassen, of wat slaperig is. Toen ik nog wel eens examen af nam op de Vakschool, was ik zeer streng ten opzichte van het masseren. Niet zo zeer of de student wel heel goed kon masseren, maar meer of hij/zij wel de nodige voorzorgen had genomen.
• Handen wassen
• Geen lange, onverzorgde nagels.
• Geen ringen of horloge dragen
• Geen lange halsketting om de nek.
• Voldoende tussenstof
• De patiënt moest goed en ontspannen liggen.
• De lichaamsdelen die niet werden gemasseerd afdekken.

Dat vond ik erg belangrijk. Het goed masseren leer je alleen in de praktijk en vaak pas na een paar jaar. Hoe gek het ook klinkt. Helaas wordt er tegenwoordig te weinig aandacht besteed aan het masseren. De nadruk ligt veel meer op ‘revalideren’ . Ook in de sport zie je de fysiotherapeut in een mooi trainingspak met een geblesseerde speler op het veld rondjes lopen. Dat is niet de eerste prioriteit van de fysiotherapeut. Zo een speler moet worden overgedragen aan de hersteltrainer. De fysiotherapeut moet zich bezig houden met de geblesseerde spelers binnen en niet buiten. Daar zijn andere vakmensen voor.

Hoewel ik er niet meer direct bij betrokken ben houden de sportblessures mij nog steeds bezig. Waar door zijn er in de afgelopen tijden zo veel jonge sporters getroffen door een hartaandoening? Sommige sporters zijn zelfs overleden? Met de moderne technieken moet je toch kunnen vaststellen of een sporter een hartafwijking heeft. En toch slippen er altijd een paar door, waarvan men de aandoening niet heeft ontdekt, met alle gevolgen van dien. Ik zou het graag verder willen onderzoeken. Waarom duurt het vaak zo lang voordat een blessure is genezen? Waarom wordt er zo weinig gemasseerd? Ik ben nu vijftig jaar bezig en ik ben nog lang niet klaar.
Langs deze weg bedank ik iedereen die het mij mogelijk heeft gemaakt om met zoveel plezier te mogen werken. Mijn vrouw, mijn geweldige medewerkers, de artsen, al de studenten die bij ons stage hebben gelopen en natuurlijk mijn fantastische patiënten.

Amsterdam, juni 2011

*Eerdere uitgaven:

* Sport en Ongevallen
* Alles over Sportblessures
* “Tot vanavond en lief zijn hoor”
* Mijn AJAX
* Blootgeven
* Blootgegeven
* Nunes Vaz
* Mijn Ajaxjaren